Brieven van Pietro Mancuso

Bij het opruimen van mijn weblog kwam ik ‘Brieven van Pietro’ tegen, een verhaal dat ik lang geleden schreef en in 2015 herschreef.  Omdat het me fijn lijkt om na bijna een kwart eeuw weer met Pietro in contact te komen, ben ik met de stofkam door het verhaal gegaan en publiceer ik het vandaag opnieuw.

Pietro Mancuso

I

Ergens aan het eind van de jaren zeventig, ik zat in drie of vier vwo, kondigde mijn lerares Engels aan dat ze penvrienden en –vriendinnen zocht voor leeftijdgenoten in het buitenland. Ik ‘kreeg’ Pietro Mancuso, een Siciliaanse jongen. Tot op de dag van vandaag vraag ik me af, wat de precieze bedoeling van dat corresponderen was. Mijn Engels was nog niet om over naar huis te schrijven – laat staan naar Italië. Bovendien werd mijn beheersing van die taal ook niet beter van zijn nogal onbeholpen schrijfsels. Toch begreep hij altijd wat ik bedoelde en tastte ik bij het lezen van zijn brieven slechts zelden in het duister. Er ontspon zich een levendige briefwisseling tussen het Achterhoekse Gendringen en het Siciliaanse Milazzo.

Na een halfjaar heen en weer schrijven sloot hij een wazige, vaal gekleurde polaroidfoto bij zijn brief. Het beeld dat ik van mijn Mediterrane penvriend had geschapen bleek niet te kloppen met de realiteit: een timide jongen in hoogglans staarde me aan, poserend bij een sportvliegtuig, als om indruk op mij te maken. Dat laatste deed hij pas een beetje, toen ik zijn volgende brief kreeg, waarin hij reageerde op de foto die ik hem gestuurd had. Hij schreef dat hij mij beautiful vond. Dat had nog geen enkele jongen vóór hem gedaan. Ook niet in het Nederlands, overigens.

Kennelijk had ik meer indruk op hem gemaakt, dan ik bedoeld had, want Pietro begon zich in het contact met mij vast te bijten. Hij voerde de frequentie van zijn brieven op en ook de toon ervan veranderde. Zijn post begon me te beklemmen, die van mij werd wat afstandelijker. Na het eindexamen verhuisde ik voor een jaar naar Lyon. Tussen de post uit Nederland vond ik regelmatig een envelop met een Italiaanse postzegel. Ondertussen was ik als een blok gevallen voor een lange, slanke Fransman en was ik zo tactloos om Pietro daar uitgebreid verslag van te doen. Hij reageerde sportief en leek niet van plan zich daardoor uit het veld te laten slaan. Pas toen ik nauwelijks meer op zijn brieven reageerde, gaf hij de moed op. De stroom post uit Italië nam in intensiteit af en bleef tegen het einde van 1984 helemaal uit.

II

En dan, op een zonnige lentemorgen in 1997, rinkelt de telefoon. Omdat mijn dochtertje slaapt, haast ik me om op te nemen. Een beetje ademloos zeg ik mijn naam. Een mij onbekende stem zegt: ‘Hi, it’s Peter from Sicily!’ Stomverbaasd laat ik me op de bank zakken. ‘Hoe kom je aan mijn telefoonnummer?’ vraag ik, zodra ik van de eerste schrik bekomen ben. ‘Van je moeder gekregen,’ antwoordt hij in vrijwel accentloos Engels. Mijn brein maakt overuren, maar dan vertelt hij dat hij voor een congres in Amsterdam is. ‘Ik ben je nooit vergeten en besloot in het telefoonboek van je oude woonplaats te kijken. Bij het adres dat in mijn geheugen gegrift staat, vond ik een nummer en je moeder nam op.’ Ik ben te overdonderd, om een vlotte conversatie te kunnen voeren en ben blij dat hij het woord neemt. Hij vertelt in het kort iets over zijn leven en daarna doe ik hetzelfde. ‘Ik zou je zo graag eens ontmoeten,’ zegt hij dan plotseling en de warmte in zijn stem doet me bijna smelten. Mijn hemel, denk ik, en wat zou ik jou graag eens zien. Maar dat zeg ik niet, omdat ik weet hoe mijn echtgenoot zal reageren op het nieuws dat ik een afspraakje heb met mijn Italiaanse aanbidder van weleer. ‘Nou,’ dringt Pietro aan, ‘kom je deze week een keer naar Amsterdam?’ Ik knijp de hoorn bijna fijn, aarzel en lieg dan plotseling dat mijn agenda te vol is.

Nadat ik heb opgehangen, ga ik mijn kleine meisje uit bed halen. Ik neem haar mee naar beneden, maar ben niet met mijn hoofd bij haar. Voortdurend vraag ik me af, of ik er goed aan heb gedaan, de uitnodiging van Pietro af te slaan. Daarnaast pieker ik over hoe ik het met mijn man over het telefoongesprek van vanmiddag moet hebben. Veel tijd om daarover na te denken krijg ik niet, want bekende voetstappen weerklinken in de straat. Hij heeft me nog maar nauwelijks een kus gegeven, of ik barst al los: ‘Je raadt nooit wie ik vanmiddag aan de telefoon had!’ Hij lijkt even uit het lood geslagen, maar herstelt zich snel en vraagt niet eens of ik op de uitnodiging ingegaan ben. In de afgelopen jaren heb ik te vaak een aanvaring met zijn jaloerse ik gehad. Hij kent me goed genoeg om te weten dat ik niet op een herhaling daarvan zit te wachten. En na verloop van tijd verdwijnt Pietro opnieuw naar de rand van mijn herinneringen.

III

Als in het vroege voorjaar van 2007 de littekens van mijn echtscheiding nog vers zijn, heb ik behoefte aan iets leuks. Omdat mijn dochter en ik in de zomervakantie gaan verhuizen, wil ik een weekje met haar weg in de meivakantie. En zo staan we op Koninginnedag rillend  omhoog te kijken naar de in mist gehulde flanken van de Etna. ‘Kom,’ zeg ik tegen mijn klappertandende dochter, ‘laten we eerst maar eens in dat winkeltje gaan kijken voor een warme trui.’ De winkeleigenaar vraagt waar we vandaan komen en zegt na mijn ‘from Holland’ lachend: ‘Dan zijn jullie toch wel aan kou gewend?’ Ik vraag of deze diepvriesomstandigheden normaal zijn voor de omgeving. Hij antwoordt dat hij in Milazzo, niet ver hier vandaan, geboren is en dat het heel koud kan worden rond de Etna. Terwijl hij zijn hand uitsteekt voegt hij eraan toe: ‘My name is Peter.’ Milazzo, Peter … het zal toch niet? Deze man is groot, breed en lijkt in niets op de timide jongen van de polaroidfoto’s. Vragen naar zijn achternaam vind ik wat te brutaal, dus noem ik op mijn beurt, licht blozend, mijn voor- en achternaam. ‘Ah, Christien, that’s a beautiful name,’ zegt hij slechts en ik merk dat er geen enkel belletje bij hem gaat rinkelen. Het zou ook wel heel toevallig zijn, als we elkaar hier, aan de voet van de Etna, opeens zouden ontmoeten. We kiezen een warme trui uit, rekenen af en gaan weer naar buiten, nadat Pietro ons nog een aangenaam verblijf op Sicilië gewenst heeft.

Twee dagen voordat we naar huis gaan, zitten we in de bus. Ik heb een excursie naar Lipari, een klein eiland voor de kust van Sicilië geboekt. De reisleidster is op taalgebied van alle markten thuis en hangt een lang verhaal op in het Engels, Russisch en Frans. Alles met een vet Italiaans accent. Het maakt wat zij vertelt tot een onontwarbaar relaas, waar alleen een enkele plaatsnaam voor enige herkenning zorgt. Aan haar duidelijke opwinding valt af te leiden dat de haven, van waaruit we zullen vertrekken, in zicht komt. ‘Milazzo,’ hoor ik haar luid en duidelijk in de microfoon zeggen. Ik ga rechtop zitten en kijk nog aandachtiger naar buiten. ‘Stel dat Pietro hier ergens loopt,’ grap ik tegen mijn dochter. ‘Alsof je hem dan zou herkennen,’ lacht ze. Daar heeft ze een punt.

Zodra het vliegtuig opstijgt, werp ik nog een laatste blik op het landschap dat mijn voormalige penvriend zo vertrouwd was. Natuurlijk was er stiekem de hoop dat ik hem ergens tegen het lijf zou lopen, maar echt mijn best heb ik ook niet gedaan om hem te vinden. Het is goed zo. Wij hebben genoten van onze vakantie en thuis maak ik een selectie van de mooiste foto’s en laat die afdrukken. Na een paar weken ga ik weer over tot de orde van de dag. De aanstaande verhuizing doet de herinneringen aan Sicilië al snel verbleken.

IV

Sinds ons bezoek aan Sicilië zijn er vele jaren verstreken. Vanmiddag ben ik op zoek naar een foto uit mijn jeugd en terwijl ik een paar oude fotoalbums uit de kast haal, dwarrelt er een foto op de grond. Ik buk om hem op te rapen … Pietro. ‘Daar ben je weer,’ mompel ik, waarna ik minutenlang naar zijn vage contouren staar. Ik vraag me af hoe mijn leven eruitgezien zou hebben, als ik op die lentemorgen in 1997 op zijn uitnodiging zou zijn ingegaan. En stel dat hij het wel was geweest, daar aan de voet van de Etna? Zijn brieven kan ik nergens meer vinden; ze zijn in de vele verhuizingen zoekgeraakt, maar ondanks dat blijft Pietro Mancuso om de een of andere reden telkens weer in mijn leven opduiken. Zij het dan niet in levenden lijve. Hoe leuk zou het zijn om hem na al die jaren eens te ontmoeten?

2 gedachten over “Brieven van Pietro Mancuso”

  1. Dat zijn van die dromerige ‘wat als’ terugdenksels. Daar kan ik mij ook echt in verdrinken. Maar ja jij hè ….. Was jij dan nu een Milanese big mamma geweest? ik zou dat nu niet willen weten. Maar toch leuk om aan terug te denken en vooral er over te schrijven.
    Wat die jaloezie betreft zeer herkenbaar …. Tolk mie dr not from. #SteenkoolEngels

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.