Burn-outdagboek – VII (29 mei)
De afgelopen weken hebben niet alleen in het teken van mijn burn-out gestaan, maar draaiden ook om de verhuizing van mijn moeder. In mijn logeerkamer staan tal van dozen vol kaarten, brieven, foto’s en andere persoonlijke herinneringen die ik nog eens samen met haar moet gaan uitzoeken. Er zijn allerlei kleine en grotere spullen die mama niet meer kan gebruiken opgehaald door iemand die ze voor een goed doel verkoopt, door familieleden en buren. Vorige week heb ik, zwetend en misselijk, in het huis rondgelopen met de nieuwe huurders en met hen afspraken gemaakt over wat ze wel en niet wilden overnemen. Het kostte me enorm veel energie. Afgelopen woensdag heeft een woningontruimer alles weggehaald dat niemand meer kon/wilde gebruiken.
Over een minuut of tien komt er iemand van de verhuurder voor de oplevering. Ik loop langzaam door het huis om er nu echt en voorgoed afscheid van te nemen. Herinneringen aan logeerpartijen, verjaar- en feestdagen komen naar boven. Op haar slaapkamer staar ik naar de betonnen vloer – de woningontruimer heeft op mijn verzoek de vloerbedekking weggehaald. Een donkere plek ter hoogte van waar een bureautje stond, doet me denken aan die keer, ruim drieënhalf jaar geleden, dat mama gevallen was en daar heftig bloedend lag te wachten op hulp. Hoe anders had het kunnen aflopen? Gebeurt er nu iets ernstigs met haar, dan is de hulp dichtbij.
Op de trap naar beneden komt plotseling het besef dat dit de laatste keer is dat ik hier ben, in het huis dat ik bijna 25 jaar lang mijn ouderlijk huis genoemd heb, dat ik nooit meer bij mijn moeder kan gaan logeren, kortom dat er een nieuw tijdperk is aangebroken. En dat besef beneemt me de adem, net op het moment dat de bel gaat. Ik slik, haal diep adem en ga opendoen.
De rondgang door het huis eindigt na een minuut of tien. Ik overhandig de sleutels aan de verhuurder, uit alle macht proberend mijn tranen te bedwingen. Voor de allerlaatste keer rijd ik even later de straat uit. Ik onderdruk de neiging om mijn hand uit het raampje te steken en ten afscheid te zwaaien, zoals ik dat altijd gedaan heb. Terwijl ik naar het verzorgingshuis rijd, bedenk ik dat ik blij mag zijn dat ik nog gewoon bij mama op bezoek kan gaan, haar kan omhelzen, tijd met haar kan doorbrengen. En ten afscheid zwaaien kunnen we nog steeds, ik onderweg naar de begane grond en zij vanachter het raam in het trappenhuis.