Burn-outdagboek – VIII 3 juni
Sinds mijn ziekmelding heb ik elke dag een paar uur vanuit huis gewerkt. Ook vanmorgen klap ik de kantoorlaptop open: ik kan nog mooi even wat in een dossier doen voordat ik naar de haptonoom moet. Tien minuten later breekt het zweet me uit. Er is een probleem en ik zie niet hoe ik dat het hoofd moet bieden. Ik bel collega M. Zij gaat het voor me oplossen. ‘Rustig aan hoor,’ voegt ze eraan toe, voordat we de verbinding verbreken. Niet veel later stuurt ze mij een appje: ‘Ik maak me zorgen om je. Ik heb de baas gevraagd alle dossiers bij je op te halen; dit gaat zo niet langer.’ Minutenlang zit ik naar die tekst te kijken. Vanwaar die zorgen? Blijkbaar heb ik paniekeriger geklonken dan ik besefte. Veel tijd om daarover na te denken heb ik niet: de haptonoom verwacht me zo meteen.
Hoewel het intakegesprek maar zestig minuten zou moeten duren, neemt het bijna anderhalf uur in beslag. Goed in kort-en-krachtig ben ik nooit geweest en dat is nu niet anders. Ik vertel hoe ik me voel, hoe ik denk dat dat zo gekomen is en dat ik niet weet hoe aan deze ellendigheid te ontsnappen. Met tussenpozen stromen de tranen over mijn wangen. De haptonoom luistert geduldig, stelt af en toe een vraag en noteert soms iets. Gaandeweg voel ik me een beetje minder bezwaard. Het is zo fijn om je hart te luchten bij iemand die jouw naasten niet kent, iemand die niet (ver)oordeelt en je met zachtheid behandelt. Aan het eind van het gesprek antwoord ik daarom ‘ja, graag’ op haar vraag of ik een vervolgafspraak wil maken.
Ik ben nog maar net thuis, als de bel gaat en mijn werkgever op de stoep staat. ‘Maak je niet druk,’ bindt hij me op het hart voor hij afscheid neemt, een stapeltje dossiers onder zijn arm. ‘Het komt allemaal goed; pak jij eerst maar je rust.’ Veel meer dan knikken kan ik niet. Ik blijf een poosje in de gang staan nadat ik de voordeur achter hem dichtgedaan heb. Ik voel me schuldig ten opzichte van mijn collega’s – en vooral M. Langzaam loop ik de trap op naar de woonkamer. De kantoorlaptop staat nog op tafel. Ik ruim hem op en moet opnieuw huilen. Het voelt als falen, als nutteloos zijn en ik baal van mezelf. De doorgewinterde notarisklerk die ik ben, is niet eens in staat om thuis een paar dossiers te behandelen. Bovendien: wat ga ik nu doen in al die uren tussen ontwaken en gaan slapen? Ik kan mijn dagen vullen met lezen, schrijven, tekenen, wandelen, pianospelen of wat dan ook, maar hoe zinvol is dat allemaal?
‘Heb het leven lief!’ staat er op het kunstwerk boven mijn eettafel. Het hangt er al een poosje en ik heb er al heel vaak en intensief naar gekeken. Maar nu staar staar ik naar die vier woorden, herhaal ze als een mantra, als om mijn over elkaar buitelende gedachten tot stilstand te dwingen. En dat geeft ruimte aan een nieuw inzicht.
Om het leven weer te kunnen liefhebben als nooit tevoren, kan ik niet anders dan dingen die stress opleveren buiten de deur houden, kan ik niet anders dan de deur wagenwijd openzetten voor dat wat me blij maakt en energie geeft. Glimlachend besef ik dat dat laatste het zinvolste is wat ik kan doen. En dat besef geeft rust. Een beetje weliswaar. Maar toch.

Reacties
4 reacties op “Als nooit tevoren”
Je vind het niet leuk maar toch is dit de beste remedie als aftrap naar herstel. Hou vol en doe leuke dingen.
Ik doe mijn best, Peter, in de wetenschap dat het langzaam gaat … maar wel beter.
Je bent echt al een eind op weg naar herstel. Je kunt verzinnen waar je energie van krijgt, dat is fijn en helpend.
Neem veel tijd, dit is in jaren opgebouwd en gaat niet in een paar weken over.
Doe leuke dingen en bouw zo langzamerhand aan herstel van je energievoorraad.
Succes Christine, liefs Caroline.
Ja, ik besef dat ik op de goede weg ben.