Burn-outdagboek – XVIII (12 september)
Van mijn lief heb ik een reisje naar Parijs cadeau gekregen. Hij heeft het al geboekt voordat ik me ziekmeldde. Daags voor vertrek loop ik verdwaasd door het huis. Ik heb zin in deze citytrip en dat alleen al vind ik fijn. Maar ik kan er niet toe komen om te verzinnen wat ik allemaal mee moet nemen en voel me behoorlijk gespannen. Ik zie ook op tegen de lange reis per bus, intercity, intercity, Eurostar en RER-trein. Ik kalmeer mezelf met de gedachte: het komt vast goed!
De volgende dag blijkt dat dát inderdaad het geval is: alles sluit netjes op elkaar aan, we hoeven niets te zoeken, missen geen aansluiting en arriveren aan het eind van de middag in Saint-Germain-en-Laye, een stadje ten westen van Parijs. We vieren onze aankomst met een diner op een terras in het centrum en besluiten dat met de lekkerste chocolademousse die ik ooit geproefd heb. ‘Heb je nog zin in een wandelingetje?’ vraagt mijn lief daarna. Ik knik en zeg: ‘Ik ben wel moe, maar geloof dat ik genoeg energie over heb om nog een stukje te lopen.’
We wandelen naar het eind van de weg langs het kasteel. Daar is een trap die leidt naar een lager gelegen, langgerekt plein. Het uitzicht daarvandaan is adembenemend. We kijken uit over bomen, straten, ontelbare lichtjes en vangen een glimp op van de Seine. Aan de horizon zien we de contouren van La Défense, de moderne zakenwijk van Parijs. Rechts ervan werpt de Eiffeltoren een lichtbundel over zijn omgeving. Gert slaat een arm om me heen. Het geluksgevoel dat me overvalt is enorm en breekt zonder pardon door mijn vermoeidheid heen. Het voelt alsof het een roze filter legt over hem, over mij en over alles om ons heen.




De volgende dag lunchen we, met uit Saint-Germain-en-Laye meegebrachte broodjes, op een bankje op de Pont Neuf. Het geluksgevoel van gisteren is vanmorgen met mij wakker geworden en meegereisd naar hier. Ik geniet intens van mijn broodje, laat mijn blik over de Seine en de Eiffeltoren dwalen en voel me beter dan ik me in lange tijd gevoeld heb. Na de lunch dwalen we urenlang door het Louvre. Een enorme menigte verdringt zich voor de Mona Lisa en probeert een foto te maken van de beroemde vage glimlach. Al die omhooggestoken telefoons leveren een surrealistisch beeld op. Gert legt het, grinnikend, vast met zijn telefoon. Als we vinden dat we genoeg kunstwerken bewonderd hebben, installeren we ons in de Rue de Rivoli op een terras, vanwaar we Parijs aan ons voorbij laten trekken. Later wandelen we op ons gemak naar de Place Vendôme en vergapen we ons aan de koopwaar in de etalages van peperdure merken, waarna we neerstrijken op het terras van Le Petit Vendôme om te ontdekken of de uiensoep hier echt zo lekker is als men beweert. We moeten er erg lang op wachten. Ze houden hier blijkbaar hetzelfde rustige tempo aan als wij. Dat is prima, wat ons betreft. En de soep blijkt het wachten waard.
In de trein terug naar Saint-Germain-en-Laye nemen we de dag door. We zijn beiden – onafhankelijk van elkaar – al meerdere malen in de Franse hoofdstad geweest. Maar niet eerder hebben we de stad op deze relaxte manier ervaren. We zijn met elkaar eens dat Parijs deze keer anders voelt. We laten ons niet opjagen, hebben niet meer de drang om álles (nog een keer) te zien en nemen de tijd om regelmatig te pauzeren. Dat alles maakt dat we Parijs vandaag intenser beleefd hebben dan ooit tevoren. En het maakt dat we ons verheugen op wat de komende dagen gaan brengen.
Terwijl we in Saint-Germain naar ons appartement wandelen, zing ik zomaar plotseling in gedachten ‘La vie en rose’, een lied dat goed past bij mijn geluksgevoel, bij Frankrijk, bij ons tweeën. Dan besef ik dat het ook van toepassing is op mijn leven nu: na maanden van ‘grijzigheid’ kleurt het langzaamaan weer roze.
