Burn-outdagboek – XII 4 juli
Texel heeft me enorm goed gedaan. En aangezien we beiden nog een week vakantie hebben, besloten we nog een paar dagen naar de Eifel te gaan. Gisteren hebben we ons geïnstalleerd in een ruim en mooi appartement in Erkensruhr. Vanmorgen zijn we naar Monschau gereden, de e-bikes achterop. En nu fietsen we over de grotendeels vlakke Vennbahnweg naar Bôsfagne, twintig kilometer verderop. Veel fietskilometers heb ik dit jaar nog niet ‘in de benen’, maar ik ben ervan overtuigd dat ik het makkelijk vol kan houden, mits ik de trapondersteuning op ‘turbo’ zet als ik moe word.
Het turbomoment breekt al na een paar kilometer aan. Hoewel ik me fysiek een stuk beter voel dan een paar maanden geleden, is mijn conditie toch slechter dan ik dacht. Ik probeer er zo nuchter mogelijk onder te blijven. Het is heerlijk fietsweer en we pauzeren straks in Bôsfange voordat we dezelfde route terugfietsen. Links en rechts van het fietspad zien we struiken, bomen met daarachter glooiende velden en heel af en toe een huis. De Rur slingert zich langs het fietspad, soms eronderdoor. Het is hier prachtig, maar waar ik op Texel intens genoot van het fietsen door de duinen en langs de zee, lukt me dat in dit glooiende landschap niet zo goed. Bôsfagne heeft niets te bieden qua pauzeren, dus beginnen we aan de terugtocht en lunchen we bij het enige ‘etablissement’ langs de Vennbahnweg: een treinwagon van waaruit wafels verkocht worden.
Na de koffie met een wafel met kersen en slagroom zegt Gert, wijzend naar een afslag op de Vennbahnweg: ‘Zo fietsen we eenvoudig Monschau binnen.’ Ik slik even en zeg dan: ‘Monschau ligt in een dal. Naar beneden zal het punt niet zijn, maar hoe komen we weer omhoog? Ik geloof niet dat ik de energie heb om naar boven te fietsen, straks.’ Hij antwoordt dat hij met de fiets naar de parkeerplaats zal klimmen en mij dan met de auto zal ophalen. Dat stelt me enigszins gerust. We stappen weer op de fiets en nemen op de Vennbahnweg de afslag die Gert me heeft aangewezen. Opeens houdt het fietspad op. Rechtdoor een wandelpad vol rotsen en kuilen, linksaf een zandpad, een weiland in. Bij gebrek aan befietsbare alternatieven kiezen we dat pad. We hobbelen rustig naar beneden over het karrenspoor. Een tractor komt ons tegemoet. ‘Dit gaat nergens heen,’ zegt de vriendelijke boer, ‘jullie moeten terug naar het fietspad daarboven.’ We draaien ons om en de moed zinkt me in de schoenen als ik de te bedwingen heuvel zie. ‘Ik geef je een zetje,’ zegt Gert. Dat helpt wel, maar bijna bovenaan stap ik hijgend en zwetend af. Ik kán niet meer en raak volkomen in paniek. Dat Gert me probeert te kalmeren, helpt niet. Ik hoor wat hij zegt, maar het komt niet binnen. Mijn lijf weigert elke vorm van dienst. De tranenfabriek werkt echter als nooit tevoren. Ik ben boos op mezelf: waarom heb ik niet tegen mijn lief – en mezelf – gezegd dat deze ambitieuze fietsavonturen niet passen bij mijn opgebrande lijf?
Uiteindelijk raap ik mezelf weer bij elkaar, bereiken we het fietspad weer en fietsen we terug naar waar de auto staat. Daar dichtbij leidt een fietspaadje Monschau in. In de diepte schemeren de daken van de vele vakwerkhuizen in het centrum. Gert ziet me aarzelen en herinnert me eraan dat hij me straks met de auto zal oppikken. ‘Naar beneden moet prima te doen zijn,’ voegt hij eraan toe. Nog geen half uur nadat ik mezelf wel voor mijn kop kon slaan, omdat ik niet eerlijker tegen hem ben over hoe ik me voel en wat ik wil, besluit ik geen spelbreker te gaan zijn en zeg ik: ‘Prima, ga jij maar voorop.’ De weg naar beneden is nog steiler dan ik had verwacht. Het laatste stukje durf ik niet fietsend te doen, dus schuifelen we voorzichtig heuvelaf, de e-bikes aan de hand.
We hebben wat gedronken op een terras, gelopen door het stadje en gegeten in een restaurant waar de glorie al lang is vergaan. Nu zit ik op een bankje te wachten tot Gert me komt oppikken. Ik zit er niet op mijn gemak. De accu van zijn telefoon is leeg; gebeurt er wat terwijl hij naar boven fietst, dan kan hij mij niet bereiken. ‘Het komt goed, lief,’ heeft hij tig keer gezegd voor hij wegfietste. Telkens knikte ik. Maar mijn zenuwstelsel schreeuwde moord en brand. Terwijl ik hier zit, probeer ik het te kalmeren door te analyseren wat er vandaag is gebeurd. Het ging zo goed op Texel; waarom hier dan niet? Ik houd enorm van eilanden, van de zee en de duinen. Bovendien was Texel mijn keuze. Gert wilde graag naar de Eifel; ik heb niks met Duitsland. Maar we hadden gedaan wat ik graag wilde, dus vond ik dat we ook moesten doen wat mijn lief graag wilde. Gert onderbreekt telefonisch mijn gedachten. Hij zit in de auto en is over vijf minuten bij me. Hij had gelijk, denk ik glimlachend: het is goed gekomen.
In de stilte na het korte telefoontje komt opeens het besef dat ik mezelf niet moet overschatten, beter naar mijn gevoel moet luisteren, geen al te grote stappen moet willen nemen en me niet beter moet voordoen om mijn lief te plezieren. Ik moet eerlijker zijn over mijn behoeften, angsten en verlangens. En als dat betekent dat ik soms een spelbreker moet zijn, dan is dat maar zo.
