Burn-outdagboek – XIV (29 juli)
Mijn burn-outweken rijgen zich aaneen in een monotoon ritme. Om dat te doorbreken, spreek ik zo nu en dan af met een vriendin, ga ik wekelijks bij mijn moeder op bezoek en lunch ik regelmatig met mijn dochter. Ik geniet van die momenten. De woensdagavond en de weekends zijn gereserveerd voor mijn lief. Hij laat mij de regie voeren en dat voelt als een groot cadeau. Heb ik geen zin om iets te ondernemen dan blijven we thuis. Heb ik wel behoefte aan een uitje, dan springen we bijvoorbeeld op de fiets voor een tochtje in de omgeving.
Van mijn dochter krijg ik het boek ‘Glimmers. Kleine momenten van geluk die je leven transformeren’. Sinds Texel, waar ik voor het eerst in lange tijd zo’n geluksmomentje mocht ervaren, overkomt het me nog maar zelden. Ja, ik kan genieten van de uitbundig bloeiende Kaapse primula op mijn balkon, van goede gesprekken, een fietstochtje of van een lief gebaar. Maar genieten is iets anders dan even volkomen gelukkig zijn. En ik honger naar dat gevoel.
Min of meer per ongeluk ontdek ik zentangle, een tekenmethode die draait om het maken van herhalende, gestructureerde patronen (tangles). Eerst oefen ik wat op kladpapier en daarna ga ik over op een vierkant tekenboekje. Ik volg een paar lesjes op internet. De docente (die zichzelf ‘certified zentangle master’ noemt, een ‘titel’ die mij doet gniffelen) herhaalt steeds dat je rustig in en uit moet ademen, dat het proces telt en niet het resultaat. Terwijl ik zit te tekenen, luister ik soms naar een podcastaflevering van een burn-outcoach, soms naar rustgevende pianomuziek, maar meestal alleen naar de stilte. En ach, wat word ik rustig van dat lijntjes trekken. De pagina’s vullen zich met tekeningetjes, de ene beter gelukt dan de andere. En terwijl het boekje steeds voller raakt, constateer ik dat de combinatie van concentratie en plezier voor mij helend werkt.
Op een zondagmiddag zit Gert sport te kijken en leg ik de laatste hand aan een bladzijde vol glimmende steentjes. Hier nog een beetje schaduw, daar nog een beetje wit. Ik laat hem het resultaat zien. ‘Mooi,’ zegt hij, ‘maar ongelofelijk dat je daar zo lang mee zoet kunt zijn.’ Ik antwoord dat mij dat ook verbaast. ‘Kennelijk beschik ik opeens ook over meer geduld dan vroeger.’ Terwijl ik nog eens goedkeurend naar het tekeningetje kijk, Gert naast mij, zijn hand op mijn rug, overspoelt me opeens iets wat verdacht veel lijkt op een geluksgevoel. Ik ben bijna verbaasd dat deze ‘glimmer’ zich aandient en hoop tegelijkertijd dat er nog veel meer mogen volgen.
