Zon, zee en ezels – een reisverslag in columns (1)

Zoethoudertjes

Een hobby is het nog steeds niet, dat vliegen. Ik beschouw het maar als een noodzakelijk kwaad. In de slurf naar het vliegtuig moeten we wachten. Ik kijk door een van de raampjes naar buiten en zie een man voorbijkomen met een krik. Hij loopt ermee naar de neus van het toestel en vervangt daar – zo te zien vrolijk fluitend – het neuswiel. Ik besluit niet langer te kijken, word er alleen nog maar nerveuzer van. ‘Komt goed, mam,’ fluistert mijn dochter me toe. Zij heeft totaal geen last van vliegangst, dus zij heeft makkelijk praten.

vliegtuig

Tien minuten later mogen we aan boord. We verbazen ons over de beenruimte; die lijkt elke keer weer een paar millimeter krapper te worden. Ik ga extreem rechtop zitten, pers mijn rug zo strak mogelijk tegen de leuning, zodat ik niet klemvast tegen de stoel voor me kom te zitten. En ik heb niet eens heel lange benen.

Voor ons neemt een gezin plaats. Vader en moeder hebben een, zo op het eerste gezicht, schattig peutertje bij zich. Het kind moet bij een van beiden op schoot, en houdt zich in eerste instantie koest. ‘Hebben we de zoethoudertjes?’ vraagt vader ongerust. Moeder knikt en zegt: ‘Onder de stoel.’ Ik vraag me af wat het kind allemaal toegestopt zal krijgen op de nog geen drie uur durende vlucht naar Corfu.

Na een uurtje vliegen zet het kind het op een krijsen. Het is geen zielige ‘mijn-oren-doen-pijn-huilbui’ maar een dwingende ‘ik-wil-mijn-volgende-zoethouder-krijspartij’. Moeder doet haar best, probeert onophoudelijk etenswaren en een fopspeen in het krijsende mondje te stoppen, maar dat werkt slechts averechts. ‘Misschien heeft ze dorst,’ oppert vader, waarop hij een flesje uit de ‘zoethoudertjesvoorraad’ onder zijn stoel tevoorschijn haalt. Hij morrelt wat aan het drinktuitje van het ding en zodra dat in de drinkstand springt, spuit de kleverige vloeistof omhoog. Onze haren en kleding krijgen een sapdouche en ook het boek op mijn schoot ontkomt er niet aan. Het kind is van schrik even gestopt met huilen. Een toegesnelde stewardess voorziet ons van tissues, vader en moeder blijven stoïcijns voor zich uit kijken. Een verontschuldiging kan er niet af.

We zetten de reis kleverig en onder opnieuw ingezet gekrijs voort. Na de landing klinkt een luid applaus (ik begrijp nog steeds niet wat mensen bezielt om op zo’n moment te gaan klappen). Opnieuw zwijgt het kind van schrik. Dan besef ik plotseling dat ik haar dankbaar mag zijn. Ik heb nauwelijks gedacht aan het feit dat vliegen mijn hobby niet is. Ze heeft me behoorlijk zoet gehouden met haar hysterische gedoe.

7 gedachten over “Zon, zee en ezels – een reisverslag in columns (1)”

  1. Het kindje was dus zelf het zoethoudertje deze reis! 🙂 Overigens moedig van je, dat je toch steeds instapt Christien, ik heb het tot nu toe nog steeds weten te omzeilen. Mijn dochter heeft ook geen vliegangst en probeert me wel eens over te halen om een korte vlucht te maken. Maar nee, liever niet…….

  2. Start en landing vind ik vreselijk. Eenmaal hoog in de lucht valt het mee, mits er weinig turbulentie is. Ik houd van (verre) reizen en dan is vliegen een noodzakelijk ‘kwaad’, helaas.

  3. Als het nodig was dat mensen konden vliegen hadden ze bij de geboorte wel vleugeltjes gekregen.
    Nee voor mij is vliegen ook niks, doe mij maar vier wieltjes.
    Maar jullie vakantie was wel geslaagd?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *