Tussen blauw en groen – hoofdstuk 1

Zoals beloofd is hier het eerste hoofdstuk van mijn roman ‘Tussen blauw en groen’. Ik wens je veel leesplezier en hoop – uiteraard – dat je straks het e-boek gaat kopen.

*

Naast mijn linkervoet ligt een verdroogd twijgje. Het is wit uitgeslagen door het zout, de wind en de tijd. Ik pak het op, vraag me af of het net zo’n lange reis heeft afgelegd als ik en begin er willekeurige lijnen mee in het zand te tekenen. Mijn gedachten zijn niet hier, op dit afgelegen strandje, ver van huis. Ze zijn daar, waar mijn thuis is, duizenden kilometers hiervandaan. Plotseling stopt mijn hand met tekenen en tegelijkertijd komen ook mijn gedachten tot stilstand. Ik kijk naar het witte zand voor mijn voeten. Er staat een naam, in krullerige letters vol versieringen. Het stokje valt uit mijn hand en ik laat mijn kin op mijn knieën zakken. Huilen heb ik al heel lang niet meer gedaan, maar het is alsof die drie letters in het zand de dikke prop aan opgekropte emoties vloeibaar maken. ‘Tom,’ fluister ik, ‘ik mis je zo.’

Ik was vergeten hoe snel het hier donker wordt. Mijn tranen zijn al lang weer opgedroogd en mijn maag knort al een tijdje. Ik ben een meester geworden in het negeren van mijn hongergevoel en dat is me aan te zien. Kilo’s ben ik al kwijtgeraakt in de afgelopen maanden. Zuchtend kom ik overeind. Ik pak mijn slippers en kijk nog een keer naar de naam in het zand. Even overweeg ik hem met mijn voet weg te vegen, maar dat vind ik ongepast en ik bedenk dat het veel mooier is, om die drie mij zo dierbare letters door de zee te laten meenemen. Ik slenter door het nog steeds warme zand naar mijn bungalowtje. Voordat ik ga eten, zal ik me nog even een beetje moeten opfrissen.

Een kleine hagedis schiet voor me langs, zodra ik de badkamer binnenkom. Het blijft apart om je te wassen onder de blote hemel, maar ik ben er inmiddels aan gewend – en in zekere zin verslaafd – geraakt. In de spiegel kijkt een uitgebluste vrouw me aan. Ondanks haar gebruinde huid, oogt ze flets en vermoeid. En dat is ook exact zoals ik me voel. Ik was mijn gezicht, mijn oksels en trek daarna een schoon shirt en een andere sarong aan. De slippers die ik bij de deur heb laten staan, schud ik uit. Totaal zinloos, want ik moet weer door het zand om bij het openluchtrestaurant te komen.

Aran, de hoteleigenaar, verwelkomt me met de breedste glimlach die hij in huis heeft. Hij kent mijn verhaal, weet waarom ik hier ben en lijkt mij troosten tot zijn enige, tijdelijke levensdoel te hebben. Mijn gebruikelijke tafeltje, naast de vloedlijn, heeft hij al keurig voor me gedekt. Vanavond staat er opnieuw een eenvoudige, witte orchidee in een minivaasje naast mijn wijnglas. Zodra ik zit, kijkt Aran me aan, een wenkbrauw opgetrokken. Ik zie aan zijn ogen dat hij hoopt dat ik eens iets anders zal bestellen dan een eenvoudig kommetje rijst met wat gegrilde groenten, maar ik moet hem teleurstellen. Of ik dan op zijn minst een glaasje wijn lust, vraag hij vervolgens. Ik knik. Misschien moest ik dat maar eens doen, vanavond.

Het eten smaakt me weer niet. Lusteloos prik ik in een stukje tomaat en roer ik door mijn rijst. Terwijl ik een slokje van de overheerlijke chablis neem, denk ik terug aan mijn eerste verblijf hier. Met Tom, op dit buureiland van het overvolle en toeristische Koh Samui. We vonden hier rust en alle ruimte om daarvan te genieten. We verbaasden ons over de minieme verschillen tussen eb en vloed en over de extreem lage waterstand. Om te kunnen snorkelen moest je een heel eind waden, tot ver uit de kustlijn. In de tussenliggende jaren is daar niets aan veranderd. En net als toen zwaait Aran nog steeds de scepter over dit verborgen stukje paradijs. Dan schrik ik op uit mijn overpeinzingen. Aran vraagt zacht of hij even bij me mag komen zitten. Ik knik, leg mijn bestek op mijn nog meer dan halfvolle bord neer, blij met wat aanspraak. We praten over koetjes en kalfjes, allebei zorgvuldig het beladen onderwerp van Toms afwezigheid vermijdend. Ik neem het laatste slokje van mijn wijn en zeg tegen Aran dat ik ga slapen; morgen vertrek ik weer naar huis. Hij knikt ernstig en vraagt of ik er tegenop zie om hier weg te gaan. ‘Ja,’ antwoord ik, ‘enorm, maar ik kan hier niet voor altijd blijven.’

De volgende morgen, ik heb een slapeloze nacht achter de rug, sta ik op met een bonkend hoofd. Ik loop naar de veranda en kijk uit over de zee. Even overweeg ik om het ontbijt over te slaan; ik zie als een berg op tegen de reis naar huis en ben bang dat ik geen hap door mijn keel zal krijgen. Dan besef ik dat ik straks, op de boot naar Koh Samui, misselijk zal worden van de golfslag en besluit ik toch maar even iets te gaan eten. Eerst ga ik douchen en me aankleden. In de badkamer tref ik het hagedisje van gisteravond aan – of misschien is het wel een familielid. Hij blijft in het midden van de betegelde vloer zitten, doodstil. Hij fascineert me en jaagt me tegelijkertijd schrik aan. Ik houd niet van kleine beestjes die plotseling tevoorschijn komen en zich razendsnel voortbewegen. Zodra ik twee passen in zijn richting gezet heb, schiet hij weg zodat ik de badkamer weer voor mezelf heb. Nadat ik de kraan heb opengedraaid, trek ik mijn shirt en mijn slip uit en laat ik het lauwe douchewater over mijn warme huid lopen. Het heeft iets troostends en de korte douche doet me goed. Het lijkt alsof mijn hoofdpijn wat begint te zakken.

Nadat ik me heb afgedroogd en schoon ondergoed heb aangetrokken, pak ik mijn comfortabele linnen broek en een wit T-shirt van de stoel. Gisteren heb ik de meeste spullen al ingepakt en alvast klaargelegd, wat ik vandaag wilde dragen. Mijn lange, blonde krullen steek ik, staand voor de spiegel in de badkamer, slordig op. Tom zag het graag zo en hoewel ik het zelf liever los droeg, deed ik hem graag dat plezier. Door zijn favoriete kapsel te dragen, voelt het alsof hij een beetje dichter bij mij is. Make-up heb ik niet meegenomen van huis. Mascara en oogpotlood lopen alleen maar uit, als je zo veel en zo vaak moet huilen. Stond ik vroeger lang voor de spiegel, tegenwoordig ben ik sneller klaar dan de gemiddelde man. Ik kijk nog een keer kritisch naar mezelf, loop op blote voeten naar buiten en steek ze in de slippers die ik op de veranda heb laten staan. Tijd heb ik nog genoeg, dus wandel ik eerst naar het water. Een klein stukje loop ik de zee in; lauw, bijna warm water, kietelt mijn enkels en ik laat mijn blik naar de horizon dwalen. Naar huis, denk ik gelaten, maar waar ik vroeger verlangde naar ons huis ben ik nu bang voor wat ik er aan ga treffen. Stilte. Doodse stilte, omgeven met een rouwrand. Opstandig draai ik me om en loop ik in de richting van het restaurant. Aran ziet me aankomen en steekt zijn hand op in een hartelijke groet. Ik produceer een zwakke glimlach; meer zit er vanmorgen niet in.

Een klein stukje papaja en een paar snippers ananas, meer krijg ik niet naar binnen. De heerlijke, zoete thee die Aran me gebracht heeft, laat ik me echter goed smaken. Het warme vocht heeft iets troostends. Als hij komt vragen of ik nog een kop thee lust, knik ik dan ook gretig. Een half uur later schuif ik mijn stoel naar achteren. Ik steek mijn hand op naar Aran; hij zal me straks naar de boot brengen, en dan loop ik terug naar mijn bungalow. Voor de laatste keer over het altijd warme zand, langs de palmbomen en de hibiscusstruiken die met hun kleurige bloemen een en al levenslust uitstralen. Nog eenmaal schop ik mijn slippers op de veranda uit en loop ik op blote voeten naar binnen.  Naast mijn koffer ligt een plastic zak klaar, waar ik de slippers in doe, voordat ik ze inpak. In de badkamer poets ik mijn tanden. Tergend langzaam, als om mijn verblijf hier nog een beetje te rekken. Als ik klaar ben pak ik mijn toilettas, kijk ik nog een keer de badkamer rond om te controleren of ik niets heb laten leggen en trek daarna de badkamerdeur achter me dicht. Mijn toilettas leg ik bovenop de stapel kleding, naast het tasje met mijn slippers en dan sluit ik de koffer.

Er wordt aangeklopt; Aran wil weten of ik al zover ben. Ik knik, terwijl hij naar mijn koffer loopt en hem overeind zet. Voor hem uit loop ik naar buiten en op de veranda wil ik mijn slippers aandoen. Met een kleur moet ik bekennen dat ik vergeten ben dat mijn schoenen nog onder het bed staan. Snel schiet ik weer naar binnen, waar ik ze eronder vandaan vis. Aran is al met mijn koffer naar zijn auto gelopen. Op een drafje ga ik achter hem aan en neem ik even later plaats op de passagiersstoel voorin. Hij sluit de kofferbak en stapt in, steekt de sleutel in het contact en start de motor. Heel even kijkt hij naar me, maar als ik terugkijk, wendt hij zijn blik af. We zwijgen, omdat op dit moment geen enkel woord gepast lijkt. Achteruit rijdt hij het parkeerterrein bij de receptie af. Ik zie de zee langzaam verdwijnen en op de doorgaande weg ontnemen palmbomen en dicht struikgewas mij het uitzicht op het water helemaal. Ik zucht en leg mijn hoofd tegen de hoofdsteun. Mijn ogen houd ik strak op de weg gericht. Een half uur lang hobbelen we over deels onverharde wegen, dwars door de Thaise jungle. Aran heeft niet zo veel gezegd, ik nog minder. Een dikke brok achter in mijn keel voorkomt dat ik kan praten. En al zou ik hem weg kunnen duwen, dan zou ik te bang zijn om hysterisch te gaan huilen. Ik wil niet naar huis, had hier eeuwig kunnen blijven. Maar ik weet dat ik moet, dat mijn toekomst in Nederland ligt en niet hier, op deze prachtige plek in Azië.

Zodra we de kleine haven in zicht krijgen, zie ik de boot die me naar Koh Samui moet brengen al liggen. Aran stuurt de auto tot vlakbij. Zodra hij mijn koffer uit de kofferbak heeft gehaald, kijkt hij me aan. Ik voel dat hij nog zo veel tegen me zou willen zeggen, maar hij slaat eenvoudigweg zijn armen om me heen. ‘Good luck,’ fluistert hij in mijn oor, waarna hij in een onhandig gebaar mijn rug even streelt. ‘Thanks,’ zeg ik, met tranen in mijn ogen en dan grijp ik het handvat van mijn koffer.

Half rennend ga ik de loopplank naar het schip op. Aan boord draai ik me om. Aran zwaait, stapt weer in de auto en rijdt weg. Ik kijk hem na totdat ik hem niet meer kan zien. Daarna zoek ik een plek om te gaan zitten voor de overtocht. De zee is kalm en van een kleur die constant aarzelt tussen blauwgroen en azuur. De schoonheid ervan verbaast me elke keer weer, maar vandaag heb ik er geen oog voor. Ik concentreer me op het tegenhouden van mijn tranen, want ik heb nergens zo veel hekel aan als aan openbaar geweeklaag. Wezenloos zit ik naar de golven te staren. Ik kijk niet achterom, zoals gewoonlijk. Het kleiner worden en uiteindelijk uit het zicht verdwijnen van mijn, ons geliefde eiland kan ik niet aan. Zuchtend zit ik de reis naar Koh Samui uit. En ondertussen denk ik aan hoe het ooit begon tussen Tom en mij. Lang, zo lang geleden en op een moment waarop ik de scherven van mijn door Stan gebroken hart nog aan het bijeenvegen was.

* * *

Ben je benieuwd naar het vervolg? Dát kun je lezen in het e-boek dat begin 2018 verschijnt. De exacte prijs ervan is nog niet bekend maar zal ergens tussen de vijf en tien euro liggen. Ben je van plan ‘Tussen blauw en groen’ bij mij te bestellen, dan zou ik het fijn vinden dat je me dat alvast laat weten. 

5 gedachten over “Tussen blauw en groen – hoofdstuk 1”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *