Schuimbekken van koriander

Het gesprek komt op eten, wat we wel en niet lusten. De beide dochters van mijn vriendin zijn nogal kieskeurig, mijn vriendin en ik allesbehalve. ‘Maar,’ zeg ik, ‘er is wel iets wat ik echt niet weg kan krijgen. Koriander!’ De oudste begint te lachen en zegt: ‘Jij vindt zeker dat het naar zeep smaakt.’ Ik knik. Hartgrondig en enigszins verbaasd.

Begin jaren negentig was ik op Sri Lanka. Een vriendelijke jonge vrouw bracht me een bord curry. Erbovenop een bos groen, waarvan ik niet wist wat het was. Curry had ik weleens gegeten en in mijn herinnering rook dat niet zo merkwaardig. Of kwam die vreemde geur van die groene kruiden? Voorzichtig nam ik een hapje: alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg. Ik proefde niets van de curry, maar wel iets wat ik alleen kon omschrijven als zeep.

Het duurde jaren voor ik weer met dat groene zeepspul in aanraking kwam. Ik ging eten bij een vriendin die heel zorgvuldig een heerlijke salade had samengesteld. Rucola, roodlof, zonnebloempitten, appel, geitenkaas, een verrukkelijke dressing en kleine stukjes van een groen kruid dat me op de een of andere manier bekend voorkwam. Gretig nam ik een hap, niet voorbereid op de onmiskenbare zeepsmaak. ‘Heerlijk, hè, koriander?’ vroeg ze en ik mompelde beleefdheidshalve iets dat op ‘ja’ moest lijken. Dat was het dus: koriander! Inwendig was ik mezelf dankbaar dat ik niet zo veel had opgeschept. Ik worstelde me door het bergje zeepsalade heen en beloofde mezelf plechtig dat ik nooit, nooit meer koriander zou eten.

Tegenwoordig lijkt koriander niet meer weg te denken uit de westerse keukens. Tv-koks strooien het overal overheen en in restaurants zijn er altijd wel een of twee gerechten te vinden waarin het spul de zeperige hoofdrol speelt. Toen ik laatst een keer met een groot gezelschap in een restaurant was, bestelde degene die naast me zat een gerecht met ‘lekker veel verse koriander’. De geur die uit haar bord opsteeg, bedierf mijn eetlust. Iedereen lijkt het heerlijk te vinden, zo ook die vriendin die me onlangs wilde verrassen met een recept van een gerenommeerde kok. ‘Er gaat zo nog een heleboel van dit over,’ zei ze, wijzend op het bosje groen op het aanrecht. Ik kon haar er nog net op tijd van overtuigen dat ik ga schuimbekken van koriander.

Lang heb ik gedacht dat het aan mij lag. Was ik dan de enige die vond dat verse koriander naar zeep smaakt? De oudste dochter van mijn vriendin helpt me vandaag uit de droom. ‘Nee, hoor,’ zegt ze, ‘het schijnt met je genen te maken te hebben.’ Weer thuis zoek ik het op. En wat blijkt? Korianderhaters ruiken en proeven alleen de zepige geur en nemen de prettige, aromatische geur niet waar. Men denkt dat ze een gemuteerd of ontbrekend gen hebben dat het lekker ruikende bestanddeel zou moeten waarnemen. Nou dat is het dus. Ik heb een dwarsliggend ‘gennetje’. Niets ergs, sterker nog: zo kan ik bij een volgend koriandermomentje een goede verklaring geven waarom alleen het woord al me doet schuimbekken.

8 gedachten over “Schuimbekken van koriander”

  1. Ben blij dat ik dat gen niet heb. Ik ben dol op koriander. Heb het voor het eerst gegeten bij een van mijn dochters en sindsdien gebruik ik het regelmatig. Ik kan me dan ook helemaal niet voorstellen dat mensen het naar zeep vinden smaken. Maar och….er zijn nog zo veel andere kruiden, dus je hebt nog steeds keus genoeg, Christien.
    Liefs

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *