Over de grens

DSC04189Het licht doet pijn aan mijn ogen. Het duurt even voor ik de omgeving waarin ik me bevind herken, maar dan dringt het tot me door dat ik op mijn eigen badkamervloer zit, met mijn rug tegen het bad. Ik strijk met mijn linkerhand over mijn gezicht, laat hem vervolgens in de richting van de vloer zakken en trek hem onmiddellijk terug als hij in contact komt met iets plakkerigs. Bloed!

Dat is mijn eerste gedachte, maar als ik naar beneden kijk, zie ik dat noch de kleur van de vloeistof, noch de samenstelling ervan daarop lijkt. Op de donkergrijze tegelvloer ligt een bijna kleurloze, dik vloeibare substantie met kleine brokjes erin. En ik zit er middenin. Pas als tot me doordringt wat het is, ruik ik het ook: braaksel. Misselijk ben ik nog steeds een beetje, mijn hoofd doet zeer en de badkamer golft om me heen. Ik kan maar niet begrijpen waarom ik hier zit, zo beroerd, zo vies. Hoe ben ik hier verzeild geraakt? Voorzichtig probeer ik op te staan. Mijn linkervoet glijdt uit in de vieze smurrie, waardoor ik met een klap terugkom op mijn billen. Rustig ademhalen, maan ik mezelf tot kalmte. In door je neus, uit door je mond. Krampachtig denk ik aan alle ademhalingsoefeningen die ik geleerd heb tijdens de yogalessen. Adem in, adem uit, buikademhaling, tellen. En warempel: na een minuut of vijf trekt de mist in mijn hoofd langzaam op, gaat de misselijkheid liggen en durf ik nog een poging tot opstaan te doen.

In de badkamerspiegel staart de meest vieze, onaantrekkelijke Merel die ik ooit gezien heb me aan. Mijn ogen zijn rood. Sporen van mijn opgedroogde maaginhoud lopen vanuit mijn mondhoeken, via mijn kaak naar mijn hals. Ze geven het gezicht in de spiegel het aanzien van een verwaarloosde, zieke zwerver. Langzaam buig ik me voorover om mijn gezicht te wassen, maar dan bedenk ik dat een douche misschien een beter idee is. Ik kom weer overeind. De badkamer danst nog steeds een beetje om me heen, maar minder dan daarnet en ik besluit het er maar op te wagen. Zoals ik er nu uitzie, en met deze penetrante geur in haren en huid, durf ik me niet te vertonen. Mijn shirt en spijkerbroek laat ik op de badkamervloer vallen. Mijn onderbroek en beha erbovenop. Ik ril en loop zo beheerst mogelijk naar de douche. Zodra de warme stralen alle sporen van wat er gebeurd is – wat is er gebeurd? – proberen uit te wissen, vraag ik me af hoe laat het is. Ik vind het raar dat mijn zoontje nog niets van zich heeft laten horen. Hij is meestal veel eerder wakker dan ik, wekt me ’s ochtends vrijwel altijd met iets als: ‘Mama, kom je me hááálen?’

Na het douchen voel ik me een heel stuk beter. De misselijkheid is weggetrokken, mijn hoofdpijn een beetje gezakt. Duizelig ben ik niet meer. Wat me alleen blijft dwarszitten is dat ik er maar niet in slaag te reconstrueren hoe, wanneer en waarom ik, midden in mijn eigen braaksel, op de badkamervloer terechtgekomen ben. Na het afdrogen, wikkel ik me in de zojuist gebruikte badhanddoek. Nog steeds verbaast het me dat dit tegenwoordig zonder enige moeite gaat. Een paar jaar geleden had ik minstens een strandlaken nodig om het grootste gedeelte van mijn naaktheid te verbergen. Ik sta een beetje besluiteloos om me heen te kijken. Zal ik eerst de badkamer schoonmaken of me gaan aankleden? Het wordt het laatste, beslis ik snel. De viezigheid op de vloer vermijdend, loop ik naar de badkamerdeur die half openstaat. Op de overloop hangt een geur die me met een venijnige klap doet herinneren dat Jean-Pierre hier was. Gisteravond. Hij kwam praten, dat weet ik nog. En dat hij boos was ook.

Ik haal een hand door mijn natte haren, hoop dat er straks, na de koffie, meer helderheid in mijn hoofd komt en loop naar de kinderkamer. ‘Thomas,’ zeg ik zachtjes, terwijl ik mijn hoofd om de hoek van de deur steek. Een teruggeslagen Cars dekbed en zes grote knuffelbeesten liggen roerloos op het lege kinderbed.

– 2 –

Hoe lang ik precies als aan de grond genageld in Thomas’ kamer blijf staan, weet ik niet. De tijd lijkt te verstrijken met de snelheid van de laatste druppels ketchup uit de fles. Ik blijf de naam van mijn zoontje zachtjes herhalen, totdat ik besef dat hij niet antwoordt. Dan valt me op dat het aantal knuffels op zijn bed niet klopt. Draakje, de lievelingsknuffel van Thomas is er niet. De deur van zijn garderobekast staat open, ik loop erheen en zie dat er kledingstukken ontbreken. Zijn favoriete spijkerbroek met de versleten knieën, een paar shirts. Zijn geruite bloesje zie ik ook niet, terwijl ik dat gisteren nog gestreken in zijn kast gelegd heb. Ik ren naar mijn slaapkamer. Mijn bed is onbeslapen; het dekbed, wit katoen met grote, vuurrode rozenprint, ligt onberispelijk strak en schoon te zijn. Heel vaag ruik ik nog de geur van mijn vertrouwde wasmiddel. Dat ik het bed gisteren verschoond heb, komt als de zoveelste zinloze herinnering bovendrijven. Voor de zekerheid schuif ik de grote deuren van mijn garderobekast opzij, maar eigenlijk weet ik al dat ik Thomas er niet achter zal vinden. Hij houdt niet van kleine ruimtes, is bang in het donker.

Gehaast doe ik schoon ondergoed en een zwarte, linnen broek aan. Daarna trek ik lukraak een T-shirt uit de kast. Alweer onderweg naar de overloop wurm ik het shirt over mijn pijnlijke hoofd, mijn armen in de korte mouwen. Mijn hart maakt overuren, terwijl ik snel de trap af loop. Nog nooit was ik mijn kind kwijt. ‘Hij is net je schaduw,’ zegt mijn buurvrouw soms. En dat klopt: Thomas volgt me overal, is altijd in mijn buurt. Maar ook in de woonkamer tref ik, zoals ik wel verwacht had, geen spoor van hem aan. Ik haast me tot slot naar de keuken, ondertussen zijn naam wanhopig herhalend. Op het aanrecht staan twee wijnglazen. Gebruikt, maar keurig omgespoeld, wat me verbaast. Voor ik naar bed ga, zet ik altijd de vaatwasser aan, zodat ik de volgende dag geen afwas meer op het aanrecht vind. Glazen omspoelen en ze niet in de afwasmachine zetten, is beslist niet mijn gewoonte. Ik loop naar het aanrecht en plotseling wordt alles zo helder als de omgespoelde glazen die daar staan. Ik herinner me dat Jean-Pierre, die ik al maanden niet meer gesproken had, opeens op de stoep stond. Hij wilde zijn zoon zien, met mij praten. ‘En ik heb wijn meegebracht,’ zei hij met zijn Franse accent waar ik ooit voor gevallen was, maar dat me tegenwoordig verschrikkelijk irriteert.

Hij verbaasde en verraste me met zijn vriendelijke toon. Tijdens het laatste jaar van ons huwelijk was hij al zijn vriendelijkheid kwijtgeraakt, na de scheiding, nu vijf maanden geleden, kon hij alleen nog maar tegen me tekeergaan. Ergens begrijp ik dat ook wel. Ik ben immers degene geweest die de scheiding heeft aangevraagd. Jean-Pierre is altijd een bezitterige, jaloerse man geweest. Een echte macho. Dat hij me met enige regelmaat een klap verkocht, was ik na verloop van tijd gaan accepteren als iets wat bij mijn leven hoorde, zoiets als de steeds terugkerende koortsuitslag op mijn lip. Maar toen hij op een dag Thomas, het jochie was nog maar twee, een pak voor zijn broek gaf, knapte er iets in me.

Jean-Pierre liep achter me aan naar de keuken, zette de fles wijn op het aanrecht en haalde de twee wijnglazen, die nu omgespoeld voor mijn neus staan, uit de kast. ‘Ik ga eerst even bij Thomas kijken,’ zei hij, ‘hij slaapt toch nog niet?’ Ik liep achter hem aan naar boven. ‘Bodyguard?’ schamperde hij, maar ik gaf geen antwoord. Thomas was nog wakker, lag met grote, verschrikte ogen te kijken naar zijn vader, Draakje als een beschermengel in zijn armen geklemd. Toen hij mij achter Jean-Pierre zag staan, verzachtte zijn blik. ‘Mama,’ fluisterde hij.

– 3 –

Jean-Pierre deed net alsof hij niet volkomen genegeerd werd door zijn zoon en liep met grote passen naar het kinderbed toe. Die blik van Thomas! ‘Bonsoir mon petit!’ riep zijn vader en ik zag het kleine mannetje aarzelen. ‘Bonsoir,’ antwoordde hij uiteindelijk. Hij leek te hebben onthouden dat zijn vader erop stond door hem in het Frans te worden toegesproken. Pas toen Thomas geen pogingen deed om zijn armpjes om de hals van zijn vader te slaan, leek het tot Jean-Pierre door te dringen dat genegenheid zich niet laat forceren. Hij grimaste naar mij, gaf Thomas een snelle kus op zijn voorhoofd en kwam weer naar de deuropening, waar ik nog steeds stond toe te kijken. ‘Kusje, mama,’ zei een klein stemmetje, waarna ik gauw naar het bed liep. Jean-Pierre bonkte de trap al af.

Die wijnglazen… ze stonden gevuld op de salontafel, toen ik beneden kwam. Jean-Pierre had zich op de bank geïnstalleerd, zijn arm uitnodigend op de leuning. Ik fronste, was niet van plan om gezellig naast hem te gaan zitten en nam tegenover hem plaats in mijn oma’s oude leunstoel – waar hij altijd zo’n vreselijke hekel aan had gehad. Verwachtingsvol keek ik hem aan: ‘Je kwam praten?’ vroeg ik. Hij knikte, begon in eerste instantie over koetjes en kalfjes. En ik werd zenuwachtig van zijn kalme gedrag. Bovendien had ik dorst, dus was mijn glas al bijna leeg voor ik het in de gaten had. Even viel er een stilte die ik niet wist te vullen. Ik staarde naar hem, hij trommelde met de vingers van zijn linkerhand op zijn knie en keek me plotseling aan. Felblauw. ‘Mijn moeder mist Thomas en daarom wil ik  hem graag voor een paar weken meenemen naar Lyon,’ gooide hij eruit.

Ik sta nog steeds als een halvegare naar de twee omgekeerde wijnglazen te kijken, terwijl de herinneringen aan gisteravond over elkaar heen buitelen. Opeens is de misselijkheid terug. Dezelfde kramp in mijn maag als gisteren, nadat Jean-Pierre zijn aankondiging had gedaan. ‘Thomas meenemen…’ Waarom ik me vanochtend niet meer kon herinneren wat er was gebeurd, begrijp ik niet. Nu zie ik weer voor me, hoe verschrikkelijk ik me van het ene op het andere moment voelde. Hoe ik probeerde op te staan, misselijk en duizelig tegelijk. En dat ik tegen Jean-Pierre zei dat ik dacht dat ik moest overgeven. Hij stond op, zei zacht: ‘Kom, ik breng je naar boven, naar de badkamer. Dan kun jij je even wat opfrissen.’ En ik liet me door hem ondersteunen, de trap op die tot in de hemel leek te reiken. Op de drempel van de badkamer werd het me bijna te veel, dat weet ik ook nog. Ik deed een paar wankele stappen, liet me tegen het bad op de vloer zakken. Dat Jean-Pierre me daarbij hielp, herinner ik me niet. En erna was er alleen donkergrijze mist om me heen. Vanuit de verte drong een stem tot me door, en het wanhopige gehuil van een klein jongetje.

Hij heeft Thomas meegenomen, realiseer ik me nu. Dat besef, of nee, het feit dat ik niets kon doen om het te verhinderen, maakt me razend, gefrustreerd en intens verdrietig tegelijk. Nog steeds sta ik in de keuken, verbijsterd en niet in staat om welke actie dan ook te ondernemen. Het geluid van mijn telefoon scheurt de stilte aan stukken. Ik gris mijn mobiel van de keukentafel en neem op zonder te kijken wie er belt. Gewoon, omdat ik denk dat het niemand anders dan Jean-Pierre kan zijn. ‘Met Merel,’ snauw ik in het toestel. ‘Waar blijf je nou, ben je ziek?’ vraagt mijn collega Jacqueline. Snel kijk ik op de klok boven de keukendeur. Tien uur! En tegelijkertijd dringt tot me door dat het maandagmorgen is. Ik wil uitleggen wat er aan de hand is, maar mijn mond gehoorzaamt niet. ‘Nou?’ dringt Jacqueline aan en dan begin ik te huilen.

Tien minuten later, ik heb de verbinding verbroken nadat ik met mijn collega heb afgesproken dat ik straks zal terugbellen, ben ik weer iets rustiger. Jacqueline heeft gelijk, ik moet Jean-Pierre gewoon bellen. Rustig blijven en hem gewoon vragen hoe hij het in zijn hoofd haalt, Thomas zomaar mee te nemen. ‘Hij is heus geen monster hoor, Merel,’ zei ze en dat is ook zo. Hij is niet meer dan een gekrenkte vader die zijn zoon mist. Ik snuit mijn neus, was mijn gezicht en kies het nummer van Jean-Pierre. ‘Dit nummer is niet in gebruik. Controleer het nummer en…’ Ik hang op. Plotseling volkomen radeloos.

– 4 –

Het kost me twee koppen koffie en twee telefoongesprekken om mijn radeloosheid van me af te schudden. Mijn vader wist me te kalmeren, mijn baas toonde, zoals verwacht, begrip en gaf me een week vrij. ‘Hij heeft vast iets naars in jouw wijn gedaan,’ merkte hij op en ik antwoordde dat mijn vader dat vermoeden ook al had uitgesproken. Hoe Jean-Pierre me knock-out heeft gekregen, is nu helemaal niet meer van belang. Me focussen op een aanvalsplan is dat wel. Jean-Pierre heeft Thomas meegenomen naar zijn moeder in Lyon, zo veel is me nu wel duidelijk. Nu ik hem telefonisch niet kan bereiken, zou ik natuurlijk contact kunnen opnemen met mijn ex-schoonmoeder. Haar telefoonnummer heb ik echter niet. Dat lijkt vreemd, als je bedenkt dat haar zoon en ik bijna tien jaar samen zijn geweest, maar dat is het niet. Ik heb niet zo snel een hekel aan mensen, maar er is een persoon op de wereld die ik van meet af aan niet heb gemogen. En dat was wederzijds.

Maman, zoals Fransen, en dus ook Jean-Pierre, hun moeder noemen is een kille, onaardige vrouw. Tegen mij althans. Toen ik aan haar werd voorgesteld, keek ze me hooghartig aan en omdat mijn Frans indertijd abominabel was, bracht ik niet meer dan een bibberig: ‘Bonjour madame,’ uit om vervolgens op het Engels over te schakelen. Ze was per slot van rekening een vrouw uit de betere kringen, hoogopgeleid, dus ik nam automatisch aan dat ze die taal machtig zou zijn. Hoe naïef! ‘Men spreekt hier Frans!’ sneerde ze. Een vertaling had ik niet nodig, ik begreep onmiddellijk wat ze bedoelde, zo veel had ik op de middelbare school nog wel van haar moedertaal opgestoken. We zouden het hele weekend bij maman logeren, in haar prachtige maar in alle opzichten kille appartement in Lyon. Ik nam me voor om daar geen traditie van te maken, mochten Jean-Pierre en ik voor altijd bij elkaar blijven. Omdat ik voelde hoe gek mijn vriend op zijn moeder was, hield ik daar tegen hem wijselijk mijn mond over.

Tot mijn ergernis besloot ze tijdens die eerste ontmoeting dat ze Merel veel te on-Frans vond klinken. Eigenhandig doopte ze me om in Merle en ik trok het me maar niet aan. In een venijnige bui overwoog ik haar wel eens Heleen – in plaats van Hélène – te noemen, maar dan keek ik naar Jean-Pierre en realiseerde ik me dat ik hem er wellicht meer mee zou kwetsen dan haar. Het werd nooit wat, tussen haar en mij. Dat haar oogappel, Jean-Pierre is haar enige kind, was gaan studeren in Amsterdam, was volkomen tegen het zere been geweest. Ze had het leren aanvaarden, in de wetenschap dat hij ooit zou terugkeren naar Lyon, of in elk geval naar Franse bodem. Toen hij op de proppen kwam met een Nederlands meisje, en hij bovendien liet doorschemeren na zijn studie met haar in Amsterdam te willen gaan samenwonen, werd ze razend. Furieus zoals alleen hooghartige Franse dames dat kunnen worden.

Nadat Jean-Pierre afgestudeerd was, gingen we inderdaad samenwonen, zoals gepland. Van trouwen is het nooit gekomen; Jean-Pierre durfde die stap niet te nemen zonder de goedkeuring van zijn moeder. Tijdens mijn zwangerschap leek de Franse ijsberg zowaar een klein beetje te ontdooien. Regelmatig werden er kleine pakketjes uit Lyon bezorgd. Nooit voor mij, altijd ‘pour le bébé’, maar toch. Hélène was inmiddels nogal slecht ter been en niet meer in staat om zelfstandig de treinreis van Lyon naar Amsterdam te maken. Jean-Pierre haalde haar op toen Thomas veertien dagen oud was. Ze bleef een week. Een lange, lange week. Tegen mij, ‘Merle’, deed ze weer hooghartig als voorheen. Met Thomas liep ze bijna letterlijk weg.

Ik heb nog een derde kop koffie genomen en besef dat ik nog niets gegeten heb. Snel smeer ik een paar boterhammen. Voor straks, want nu krijg ik geen hap door mijn keel. Onderweg naar boven bedenk ik dat ik eerst de badkamer even een schoonmaakbeurt moet geven. Nog nooit klaarde ik die klus zo snel. Daarna gris ik links en rechts wat kleding bij elkaar. Ik prop alles in een kleine weekendtas en vlieg vervolgens weer naar beneden. Zoals altijd moet ik eerst op zoek naar mijn sleutelbos, maar het vinden ervan gaat vandaag sneller dan normaal. Ik haast me naar buiten, trek de voordeur achter me dicht en draai hem op slot. Even later start ik de motor van mijn roestige, maar nog altijd betrouwbare auto. ‘Ik kom eraan, Thomas,’ fluister ik tegen de voorruit, voordat ik wegrijd.

– 5 –

Ergens in België merk ik dat mijn maag rammelt. Ik stap uit, strek even mijn benen terwijl ik mijn brood eet. Ik gun mezelf nauwelijks tijd om te pauzeren; Thomas trekt als een magneet aan me. In gedachten ben ik de hele reis alleen maar bij hem geweest. Zouden Jean-Pierre en hij al bij Hélène zijn? Ik moet er niet aan denken dat mijn zoontje gedurende de hele rit naar Lyon huilend op de achterbank heeft gezeten; ik hoop dat het niet zo is. Misschien heeft Draakje hem kunnen troosten. Snel stap ik in; ik heb geen tijd te verliezen. Een slok uit het flesje water naast mijn stoel lest mijn ergste dorst en daarna ga ik weer op weg.

Ter hoogte van Nancy voel ik hoe ontzettend moe ik ben. De lange autorit doet mijn rug, die toch al zeer deed na afgelopen nacht, geen goed. Eigenlijk ben ik ook zo halsoverkop vertrokken, dat ik er niet bij nagedacht heb, dat Lyon dik 900 kilometer bij Amsterdam vandaan ligt. Dat is in één dag te overbruggen, mits je heel vroeg vertrekt. Maar ik ben pas vrij laat vanmiddag uit Nederland weggereden. Langs de weg staat een reclamebord dat me laat weten dat het dichtstbijzijnde hotel bij de volgende afslag ligt. Doorrijden lijkt me niet verstandig, bovendien wil ik ook niet pas tegen middernacht arriveren in Lyon, dus meld ik me tien minuten later bij de hotelreceptie. Die nacht slaap ik als een blok.

Ik word wakker en zie dat het buiten nog schemerig is. Heel even weet ik weer niet waar ik ben, maar nadat ik mijn benen over de rand van het bed geslagen heb en ik de plakkerige vloerbedekking onder mijn voeten voel, komen de herinneringen aan de afgelopen vierentwintig uur snel terug. Ik moet naar Thomas, is het enige waar ik nu nog aan kan denken, dus kleed ik me snel aan en neem ik mijn weekendtas alvast mee naar de kleine, ongezellige ontbijtzaal. Op een broodmagere vijftiger na, zit er niemand te eten. Het ontbijt stelt niets voor. Ik pluk een melig croissantje uit elkaar en giet wat van de extreem slappe koffie naar binnen.

Nog geen tien minuten later rijd ik het parkeerterrein van het hotel af. Ik heb nog een uur of vier rijden voor de boeg en hoop dat het niet te druk zal zijn op de weg, zodat ik flink kan opschieten. Mijn gebeden worden verhoord, want in minder dan vier uur steek ik de Pont Lafayette over. In de Rue Pierre Corneille vind ik tot mijn vreugde meteen een vrije parkeerplek, dicht bij het appartementengebouw waar ik moet zijn. Nadat ik ben uitgestapt, kijk ik langs het gebouw omhoog. Daar woont ze, Hélène, in het appartement met het prachtige, gietijzeren balkon. Ik loop naar de centrale voordeur en maak me zorgen. Zou ze me wel binnenlaten of me gewoon op de stoep laten staan? Ik reik net naar de bel, als de deur opengaat. Vaag herken ik een van Hélène’s buren. Ik zie aan zijn blik dat hij mijn gezicht ook onthouden heeft. Hij knikt, houdt de deur hoffelijk voor me open en mompelt een korte groet. De eerste hindernis heb ik genomen.

De antieke lift grijnst naar me. Ik weet hoe onbetrouwbaar het ding is en voel er niets voor om ergens tussen de eerste en de tweede verdieping te blijven hangen. Hoewel ik me lichamelijk nog steeds niet fit voel – de lange reis heeft ook niet erg geholpen – neem ik toch maar de trap. Mijn hartslag versnelt. Ik verlang ernaar mijn kleine mannetje in de armen te kunnen sluiten en meen zelfs zijn stemmetje te horen achter de deur van Hélènes appartement. Of wacht… nee, het geluid komt uit een van de andere woningen. Zo beschaafd als ik kan, klop ik op de deur. Behalve het bonken van mijn hart, hoor ik niets. Na een paar minuten klop ik nog eens aan. Slepende voetstappen in de hal, aan de andere kant van de deur. Ze is in elk geval thuis. Ze overvalt me toch nog, als ze de deur openzwaait. Ik vergeet beleefdheden met haar uit te wisselen en eis mijn zoon te zien. ‘Thomas?’ zegt ze en ze lijkt oprecht verbaasd, ‘die is hier niet.’

– 6 –

Ze lijkt te voelen dat ik op ontploffen sta, want er komt iets in haar blik wat ik nooit eerder bij haar zag. Is het zachtheid, begrip, mededogen? ‘Kom binnen,’ zegt ze kalm, terwijl ze mijn arm pakt. Ook iets wat ik niet van haar ken; tien jaar lang hebben we getracht fysiek contact te vermijden. Verbouwereerd stap ik achter haar aan, de ruime hal in. Rechts, op een antiek tafeltje, staat nog steeds de enorme vaas met gedroogde hortensia’s. Ze doorstaan de tand des tijds op wonderbaarlijke wijze; of zou Hélène de bloemen elk jaar vervangen? Ze vraagt over haar schouder of ik koffie wil en ik knik, want ik snak ernaar. Ik loop achter haar aan naar de keuken. In stilte. Zij vraagt niets en ik weet niet hoe of waar ik moet beginnen.

Ik neem de twee kopjes geurende espresso van haar over en volg haar naar de zitkamer. Die ziet er nog uit zoals vroeger. Dezelfde troosteloze rommel – zoals ik het in gedachten altijd noemde – als voorheen: logge banken, overtrokken met gebloemde stof, een versleten leren fauteuil en een glazen salontafel die zo vol krassen zit, dat hij van matglas gemaakt lijkt. Weinig accessoires. Of toch; ik vergeet adem te halen als ik de grote, ingelijste foto van Thomas op de schouw zie staan. Hélène volgt mijn blik en dan vraagt ze waarom Thomas bij haar zou moeten zijn. Ik slik, maak ruimte voor de waterval aan woorden die vecht om vrijgelaten te worden. Gelukkig is mijn Frans er, sinds dat eerste bezoek jaren geleden, met sprongen op vooruit gegaan. Ik wilde het dolgraag beter onder de knie krijgen en – dat moet ik hem nageven – Jean-Pierre was een geduldige leraar.

Alles vertel ik haar. Van begin tot eind, maar niet in de juiste chronologische volgorde. Mijn woorden buitelen over elkaar heen en ik probeer er een voor haar logisch verhaal van te maken. Natuurlijk begin ik met het waarom van mijn reis naar Lyon. Hélène knikt af en toe, zegt soms ‘Ah, oui,’ maar onderbreekt mijn monoloog niet, ook niet als ik moet zoeken naar een Frans woord. Voor het eerst van mijn leven voel ik iets van sympathie voor haar. Raar, denk ik, pas nu ze het niet meer is, begint ze een beetje te lijken op de schoonmoeder die ik zo graag had willen hebben. Nadat ik haar heb uitgelegd waarom ik dacht dat Jean-Pierre haar kleinzoon hiernaartoe had gebracht, voel ik de behoefte haar te vertellen waarom ik niet langer samen kon leven met haar zoon. Nog steeds luistert ze geïnteresseerd naar mijn verhaal en als ik eindelijk zwijg, zie ik dat haar ogen vochtig zijn. Er valt een stilte die niet eens pijnlijk aanvoelt. Het is meer alsof we mijn verhaal allebei moeten laten bezinken.

Na een paar minuten kijkt ze me aan en begint zij te vertellen. ‘Ik heb nooit een hekel aan jou persoonlijk gehad, Merel (ze spreekt mijn naam uit; weliswaar als Meerul, met een Franse ‘r’ in het midden, maar toch), maar aan het land waar jij vandaan komt. Lang geleden, ik was twintig, had ik verkering met een Nederlandse jongen. De details zal ik je voor dit moment besparen, maar hij behandelde me slecht en zijn familie verachtte me om redenen die me nooit duidelijk geworden zijn. Toen hij twee jaar later de relatie verbrak, besloot ik nooit meer een voet op Nederlandse bodem te zetten. Vele jaren later kondigde Jean-Pierre aan, dat hij in dat vermaledijde land wilde gaan studeren. Ik kon het niet accepteren, maar ik had geen keuze. Vervolgens kwam hij met jou op de proppen en hoe ik ook mijn best deed, ik kon er niet verheugd om zijn.’ Ik glimlach geforceerd en knik, maar nu wil ik haar niet onderbreken, dus doe ik er het zwijgen toe. Ze gaat verder, vertelt dat Jean-Pierre ook als jongetje nogal heetgebakerd kon zijn. ‘Ik corrigeerde hem daar niet in,’ zegt ze, ‘want ik vond het juist goed dat hij voor zichzelf opkwam. Jaren later besefte ik pas dat ik de teugels indertijd strakker had moeten houden. Nu ik hoor dat hij jou en Thomas weleens sloeg en dat hij je half vergiftigd heeft om het jongetje mee te kunnen nemen, heb ik spijt dat ik hem niet heb bijgebracht, dat geweld nooit het antwoord mag zijn.’

We zitten elkaar een tijdje zwijgend aan te kijken. ‘Zal ik nog eens koffie halen?’ vraag ik zacht, omdat ik niet zo goed weet wat ik nu moet gaan doen. Hélène knikt en zucht even diep. In de keuken schuif ik in gedachten verzonken mijn kopje in de espressomachine, als plotseling een schel geluid door het appartement klinkt.

– 7 –

Ik weet niet waarom, maar ik blijf adem- en roerloos in de keuken staan. Voor de tweede keer vandaag, hoor ik Hélènes slepende voetstappen in de hal. Mijn hart mist enkele slagen als ik de zware stem van Jean-Pierre hoor. Bijna zet ik het op een rennen, naar de voordeur, naar Thomas, maar dan besef ik dat ik zijn stemmetje niet hoor. Zou hij bedremmeld achter zijn vader staan te wachten op de dingen die komen gaan? Nee, de voordeur valt weer in het slot en ik hoor dat Hélène aan haar zoon vraagt, haar te volgen naar de woonkamer. Paniek overvalt me. Waar is Thomas in hemelsnaam?

Omdat moeder en zoon allebei over een luide stem beschikken en de keuken niet zo ver van de kamer vandaan is, kan ik het gesprek goed verstaan. En ik weet niet wat ik hoor. Kennelijk heeft zij besloten te doen alsof haar neus bloedt, want ze vraagt eerst omstandig naar hoe het met hem is. Hij antwoordt kortaf dat het naar omstandigheden goed gaat. Zij: ‘Omstandigheden?’ Het blijft even stil en dan zegt hij: ‘Je hebt altijd een hekel gehad aan Merel en aan de manier waarop ze Thomas opvoedt.’ Hélène zwijgt en ik klem mijn handen hard om de rand van het aanrecht, alsof ik het graniet wil verpulveren. Ik zou willen dat ik kon zien of ze knikt. ‘Nadat we uit elkaar gingen, verbood ze mij om nog contact met mijn zoon, jouw kleinzoon te hebben.’ Ik voel hoe mijn bloed begint te koken. De leugenaar!

In de afgelopen maanden heb ik talloze malen geprobeerd iets van een bezoekregeling van de grond te krijgen. Mijn pogingen mislukten, want Jean-Pierre leek geen tijd te hebben voor Thomas. Tijdens de lange autorit naar hier heb ik me het hoofd gebroken over waarom hij nu plotseling wel geïnteresseerd is in zijn zoon. Zozeer zelfs, dat hij vond dat hij hem moest ontvoeren. ‘Sinds kort heeft Merel een nieuwe vriend. Ik ken hem en weet dat hij losse handjes heeft. Ik moet er niet aan denken dat hij Thomas mishandelt,’ vervolgt hij. Voorlopig heb ik mijn bekomst van relaties. Er is geen nieuwe man in mijn leven en als het aan mij ligt, blijft dat voorlopig ook zo. Er komt een misselijkmakend besef naar boven. Jean-Pierre is alleen maar uit op wraak. Ik heb hem verlaten en dat is iets wat hij niet kan verkroppen. Door het liefste wat ik heb van me af te nemen, probeert hij me nu te straffen. Ik grijp het aanrecht nog steviger vast, omdat ik over mijn hele lijf begin te trillen.

Hélène heeft de hele tijd nog geen woord gezegd en er overvalt me een gevoel van paniek. Waarom zou ze mijn verhaal geloven? Ik ben immers niet meer dan haar ex-schoondochter? Jean-Pierre gaat verder en onthult zijn briljante plan aan zijn moeder. ‘Ik heb de situatie onlangs met Sophie,  een heel goede vriendin besproken. Zij was met me eens, dat Thomas zo snel mogelijk bij Merel weg moest. Ik heb hem eergisteravond laat opgehaald. Ik zei tegen Merel dat jij Thomas ook miste en dat ik hem daarom voor een paar dagen mee wilde nemen naar Lyon. Ze leek er geen problemen mee te hebben en heeft zelfs een tasje voor hem ingepakt. Met mijn drukke baan kan ik zelf niet fulltime voor Thomas zorgen en daarom ben ik hier. Lieve maman, zou jij Thomas in huis willen nemen, in elk geval tot hij oud genoeg is om naar school te gaan?’ Het blijft heel lang stil. Ik houd mijn adem in tot ik merk dat ik duizelig word. Het klamme zweet breekt me uit en dan hoor ik eindelijk de luide stem van Hélène. Duidelijk en zeer beslist zegt ze: ‘Ben je helemaal gek geworden, jongen?’

Haar opmerking werkt als een startschot. Ik laat het aanrecht los, storm via de gang naar de woonkamer en kom op vijf centimeter afstand van Jean-Pierre tot stilstand. Hijgend en met vuurspuwende ogen. Ik voel niets anders dan angst. Niet voor de leugenachtige man hier voor me, maar om mijn zoon, onze zoon. Jean-Pierre wordt lijkbleek, doet een stap achteruit en kijkt naar me als was ik een geestverschijning. ‘Waar is Thomas?’ gil ik totaal over mijn toeren. ‘Heb je hem in de auto laten zitten?’ Hij schudt alleen maar zijn hoofd en lijkt zijn tong verloren te zijn. Of zijn verstand. Of misschien wel beide.

– 8 –

Hij blijft van mij naar zijn moeder kijken, nog steeds sprakeloos. Dan brengt hij uit: ‘Wat doe jij hier?’ Ik voel de tranen in mijn ogen branden en snauw hem toe dat het er niet toe doet. ‘Waar is Thomas?’ herhaal ik nogmaals. Jean-Pierre haalt zijn schouders op en mijn eerste gedachte is dat hij het niet weet. Maar dan laat hij erop volgen dat hij hem bij Sophie heeft ondergebracht. Die opmerking laat mijn angst nog verder toenemen. Mijn kind, het jongetje dat altijd bij mij in de buurt wil zijn, bij een wildvreemde vrouw? Ik sluit heel even mijn ogen en zie hem voor me. Totaal ontredderd, verdrietig en in paniek. Zijn ogen rood van het huilen, zijn wangen vochtig. Hij is opeens zo dichtbij, dat ik hem bijna aan kan raken. De stem van Hélène doet mij mijn ogen weer openen en het moment vervliegen. ‘Je geeft me nu achternaam, adres en telefoonnummer van Sophie,’ eist ze. De blik in haar ogen is honderd keer kouder dan ik ooit bij haar heb gezien.

De krachtige, trotse man die er niet voor terugdeinst, geweld te gebruiken – zelfs tegen zijn eigen kind – is volkomen uit het lood geslagen. Hij kan mijn aanwezigheid hier niet verklaren en, belangrijker nog, hij voelt de fragiele band die er vanmiddag is ontstaan tussen zijn moeder en mij. Waar hij hulp en mededogen verwachtte, vindt hij nu slechts afgrijzen, onbegrip en boosheid. Zijn briljante plan, de mogelijkheid om mij te straffen, valt ter plekke in duigen en die wetenschap doet zijn zelfverzekerdheid verkruimelen. Voor heel even, want na enkele minuten herstelt hij zich. Hij richt zich tot zijn moeder, recht zijn rug en zegt: ‘Besef je wel dat je met de vijand heult? Ik weet niet wat Merel jou allemaal op de mouw gespeld heeft, maar ik kan je vertellen dat ze ontzettend goed kan acteren. Ik handel uitsluitend in het belang van jouw kleinzoon. Thomas is veiliger bij Sophie dan hij ooit bij Merel is geweest of zal zijn. En nee, de persoonlijke gegevens van Sophie krijg je niet, al ga je op je kop staan.’ Hij draait zich met een ruk om en beent de kamer uit. Mij negeert hij volkomen. De houten vloer onder mijn voeten trilt van de dreun waarmee hij de voordeur achter zich dichtgooit.

Hélène en ik staren elkaar verbijsterd aan. Ze doet een paar passen in mijn richting en slaat dan haar armen om me heen. Eerst ben ik geschokt door dit gebaar, de warmte die ik nooit eerder van haar ontvangen heb, maar die ik zo nodig heb op dit moment. Ik wil niet huilen, wil sterk zijn om te kunnen bedenken wat ik moet doen. Maar ik breek in duizend stukken en begin met gierende uithalen te huilen op Hélènes schouder. Zij streelt mijn rug en fluistert: ‘We verzinnen wel een oplossing, het komt wel goed, Merel.’ Ik til mijn hoofd op en zeg wanhopig dat we niets over die Sophie weten. Hoe ga ik haar in vredesnaam vinden? ‘Ik moet terug naar Nederland, nu,’ jammer ik. ‘Non,’ zegt ze gedecideerd en ze wijst naar de bank. ‘Je gaat eerst zitten, je moet kalmeren, iets eten en dan bedenken we samen een plan.’ Ik gehoorzaam als een mak lam en als mijn billen de gebloemde stof raken, merk ik hoe moe ik ben. Nu het hele eind terugrijden, halsoverkop naar Nederland, achter Jean-Pierre aan, zou gekkenwerk zijn. Hélène heeft gelijk.

Vroeger stond ze erop aan tafel de maaltijd te gebruiken. Het was ondenkbaar dat we, in Hélènes nabijheid, met het bord op schoot zouden eten. En toch zit ik hier nu, in haar zitkamer, op haar versleten bank, met een kom soep en een stuk vers stokbrood voor mijn neus. Troostrijk voedsel dat me verwarmt. Er spelen zo veel vragen door mijn hoofd, dat er geen ruimte is voor een gesprek. Is Jean-Pierre linea recta naar Amsterdam teruggegaan?  Waarom heeft hij zo glashard staan liegen en wat betekent de scène van daarnet voor de relatie tussen moeder en zoon? En de allerbelangrijkste vraag die zich telkens weer aandient: wie is Sophie? Haar naam komt me bekend voor, maar er wil maar geen gezicht bij verschijnen. Is ze een vriendin van vroeger of van recentere datum? Ik vraag me af wat Hélène denkt. Zij zit, net zo zwijgzaam als ik, over haar kom soep gebogen in de oude fauteuil die ooit van haar man was. Ze is al heel lang weduwe, ik heb de vader van Jean-Pierre nooit gekend. Plotseling laat ze haar lepel vallen. Het ding klettert op de vloer en we schrikken allebei van het geluid. ‘Ik denk dat ik weet wie Sophie is,’ zegt ze.

– 9 –

Aandachtig luister ik naar Hélène, die haar soepkom op de salontafel heeft gezet. Het klopt: Jean-Pierre had het weleens over Sophie, de vrouw die sinds een aantal jaren als secretaresse voor zijn psychologenmaatschap werkt. Hij hield werk en privé altijd strikt gescheiden, dus heb ik haar nooit ontmoet. Maar ook tegen zijn moeder heeft hij zich blijkbaar laten ontvallen dat ze, naast een betrouwbare werkneemster, een aardige vrouw is. ‘Maar denk je dan dat Thomas bij haar is?’ vraag ik. ‘Dat weet ik natuurlijk niet, maar zij is de enige Sophie die me te binnen schiet,’ antwoordt ze. ‘En,’ vult ze aan, ‘dan zou een telefoontje naar de praktijk van Jean-Pierre volstaan.’ Ik knik en pak mijn telefoon. Het nummer staat erin, hoop ik en anders is het vast via internet te achterhalen.

‘Goedemiddag, met psychologenpraktijk Marchand en Van Oorschot,’ klinkt het vriendelijk. Ik vraag aarzelend of ik met Sophie spreek. ‘Ja,’ bevestigt ze, ‘en met wie spreek ik?’ Er flitst van alles door mijn hoofd. Hoe ik dit ga aanpakken, heb ik van tevoren niet overdacht. Ik besluit maar gewoon met de deur in huis te vallen en ratel: ‘Sophie, je spreekt met Merel, de ex-partner van Jean-Pierre. Hij heeft onze zoon, Thomas, eergisteren bij me weggehaald, nadat hij me gedrogeerd had. Omdat ik dacht dat hij hem naar zijn oma in Lyon had gebracht, ben ik naar Frankrijk gegaan. Ik zit hier nu bij mijn ex-schoonmoeder, radeloos en wanhopig, want mijn kind is hier niet. Van Jean-Pierre die hier kwam binnenvallen en even plotseling weer verdween, begreep ik dat hij Thomas heeft ondergebracht bij ene Sophie. En jij,’ besluit ik mijn monoloog, ‘bent de enige Sophie die ik kon bedenken.’ Ze heeft geen woord gezegd en het blijft zo stil aan de andere kant van de lijn, dat ik even bang ben dat ze de verbinding verbroken heeft.

‘Mama?’ vraagt een vertrouwd stemmetje opeens en ik voel hoe mijn wangen spontaan nat worden. ‘Lieverd,’ fluister ik, ‘hoe gaat het met jou?’ Thomas haalt zo diep adem, dat ik het kan horen. Ik moet er, door mijn tranen heen, om glimlachen. Telefoneren vindt hij met zijn drie jaar een spannende en enigszins mysterieuze aangelegenheid. ‘Waarom kwam papa mij halen?’ vraagt hij. Ik weet geen zinnig antwoord te bedenken. Snel laat hij erop volgen: ‘Ik wil naar huis!’ ‘Ik kom je echt heel gauw halen, Thomas,’ zeg ik, ‘maar geef je me nu Sophie weer even? Twee seconden later klinkt haar stem weer door de telefoon. Op de achtergrond roept Thomas: ‘Jij bent lief, mama!’

Mijn ex-schoonmoeder heeft weinig tot niets van het telefoongesprek begrepen, dus breng ik haar uitgebreid op de hoogte, nadat ik de verbinding met Sophie heb verbroken. ‘Maar waarom ging ze zo snel overstag?’ wil Hélène weten. Ik vertel haar dat Jean-Pierre niet alleen tegen zijn moeder blijkt te hebben gelogen, maar ook tegen zijn secretaresse. ‘Hij heeft tegen haar gezegd dat ik met mijn nieuwe vriend op vakantie was en Thomas aan zijn zorgen had overgelaten. En dat hij plotseling naar Lyon moest, omdat jij in het ziekenhuis was opgenomen. Natuurlijk bood zij aan om een paar dagen voor Thomas te zorgen; ze nam hem vanochtend mee naar de praktijk, waar hij heerlijk gespeeld heeft, terwijl zij aan het werk was.’ Een diepe frons is ondertussen in Hélènes voorhoofd verschenen. ‘Wanneer en waarom is mijn zoon zo’n nare man geworden?’ vraagt ze meer in het algemeen dan specifiek aan mij. En ze verwacht ook geen antwoord, want ze gaat meteen verder: ‘Wie kan Thomas bij Sophie gaan ophalen?’ Ik glimlach en zeg dat ik het daar ook al met Sophie over gehad heb. ‘Ik bel meteen mijn ouders, zij weten waar de praktijk is.’ Hélène knikt goedkeurend en zegt dan: ‘Ik zal de logeerkamer voor je in orde maken, dan kun je morgenochtend uitgerust vertrekken.’

Nadat ze de zitkamer verlaten heeft, pak ik mijn telefoon opnieuw. Met mijn vader spreek ik af, dat hij en mijn moeder Thomas gaan ophalen. ‘We brengen hem naar jouw huis, zodat hij vannacht weer lekker in zijn eigen bed kan slapen,’ zegt hij. ‘Fijn,’ zeg ik, ‘tot morgenavond, pap. Geef mama een kus van me.’ Meteen nadat hij heeft opgehangen, draai ik in een opwelling nog een ander nummer. Er wordt meteen opgenomen.  ‘Ik wil aangifte doen van ontvoering en mishandeling,’ zeg ik zo beheerst mogelijk.

– 10 –

Het appartement is in duisternis en stilte gehuld en ik lig al uren naar het plafond te staren. We hebben nog een hele tijd zitten praten, Hélène en ik. Het kostte me moeite om op te biechten dat ik aangifte had gedaan. Tegen haar kind. Ze keek me aan en zei dat ze niet anders verwacht had. ‘Hij mag dan mijn zoon zijn, maar ik vind niet dat zijn gedrag onbestraft mag blijven. Zoals ik je eerder al zei, ik ben tekortgeschoten in het opvoeden van Jean-Pierre en ik vind het vreselijk dat jij en Thomas daar de dupe van geworden zijn. Had jij geen aangifte tegen hem gedaan, vanavond, dan had ik dat zelf gedaan.’

Om zes uur schrik ik wakker; het verbaast me dat ik blijkbaar toch nog in slaap gevallen ben. En het verrast me dat ik me fitter voel dan ik, gezien de gebeurtenissen van de afgelopen dagen, had verwacht. Vanuit het logeerbed kijk ik om me heen. Ik vraag me af waarom ik dit appartement altijd zo kil heb gevonden. Eigenlijk valt het best mee. De logeerkamer is behangen met lavendelkleurig behang, ragfijne zonnestralen vallen door een spleet tussen de gordijnen door en spelen een lichtspel met de spiegel op de oude, maar goed onderhouden kaptafel. Ik zucht even, rek me uit en sta dan op. In mijn tas zoek ik mijn toiletspullen bij elkaar, waarna ik op mijn tenen naar de badkamer loop. Ik moet me beheersen om niet te gaan neuriën, straks zie ik Thomas weer!

Het afscheid van Hélène is allerhartelijkst. Ik beloof dat ik haar over een poosje opnieuw zal bezoeken, samen met haar kleinzoon. Bij mijn auto kijk ik nog even naar boven. Ze staat op het balkon, zwaait naar me en ik zwaai terug. Terwijl ik de Rue Pierre Corneille uitrijd, voel ik een dikke brok in mijn keel die pas verdwijnt zodra ik Lyon achter me laat. Hoewel ik me heb voorgenomen niet te veel te denken aan wat er is gebeurd en me te concentreren op het autorijden, lukt me dat niet erg. Hélène heeft me verrast met haar warmte en haar steun. Ik schaam me, omdat ik nooit echt de moeite genomen heb om haar te leren kennen, nooit geprobeerd heb door haar pantser van ijs heen te breken.

Net voorbij de grens met België rinkelt mijn telefoon. Ik schrik ervan en werp een blik op het schermpje. Een onbekend Amsterdams nummer. Even twijfel ik, maar dan druk ik toch op ‘opnemen’. Het stemgeluid van Jean-Pierre vult mijn auto en stuurt rillingen langs mijn rug. Hij zit op het politiebureau in Amsterdam, vertelt hij op vlakke toon. Wat er verder gaat gebeuren, weet hij niet. ‘Maar ik wilde je zeggen dat het me spijt, Merel. Ik had jou, Thomas en mijn moeder dit nooit mogen aandoen.’ Sprakeloos staar ik naar het asfalt voor me. Ik heb pas in de gaten dat hij alweer opgehangen heeft, als het onophoudelijke tuut-tuut-tuut me begint te irriteren.

Het is al laat in de avond, als ik mijn auto afsluit. Op een holletje ga ik naar de voordeur. Mijn sleutel hoef ik niet te gebruiken, want mijn moeder heeft me al gezien. Ze omhelst me en zegt: ‘Welkom thuis lieverd!’ Mijn vader duwt haar nog net niet omver om mij een knuffel te kunnen geven. Hij breekt bijna mijn ribben in het proces en ik schiet in de lach. ‘Thomas ligt al een poosje te slapen,’ zegt hij. ‘Hij bleef maar herhalen dat hij jou zo lief vindt.’

Zijn prachtige, blonde krullen piepen boven het Cars dekbed uit en hij ligt neus aan neus met Draakje. Ik kniel naast zijn bed en streel zo voorzichtig mogelijk zijn haren. Hoewel dat niet mijn bedoeling was, wordt hij toch wakker. ‘Mama,’ zegt hij met een stemmetje dat schor is van de slaap, ‘waar was je nou?’ ‘Ik was bij oma Hélène, maar nu ben ik weer bij jou,’ zeg ik zacht. ‘Oké,’ zucht hij, waarna hij tevreden zijn ogen weer sluit.

Ik blijf nog een poosje naar hem kijken, op mijn knieën naast het bed. Mijn gedachten gaan naar wat de afgelopen dagen me hebben gebracht. Heel veel verdriet, angst en boosheid, maar ook iets moois. Na onze stroeve, eerste kennismaking, ben ik Hélène altijd blijven beschouwen als een kil en harteloos mens. Door de omstandigheden gedwongen, overschreed ik niet alleen in letterlijke zin grenzen. Toen ik in Lyon uit de auto stapte en bij Hélène aanklopte, ging ik ook over een figuurlijke en heel persoonlijke grens heen. Wat ik aan de andere kant ervan aantrof, beschouw ik als iets heel waardevols. Voor Thomas, voor zijn Franse oma, maar ook voor mijzelf.

23 gedachten over “Over de grens”

  1. De eerste 5 hoofdstukken in één ruk uitgelezen, ik sta serieus bijna op het punt nu zelf naar Lyon te rijden om Thomas op te halen. De grootste angst van iedere ouder, je kind kwijtraken. Zorg maar dat het goed afloopt, Christien!

  2. da’s heel andere koffie dan zo’n open coffee.;)…
    spannend, mooi en beeldend geschreven,
    het is alsof is er zelf bij ben
    chapeau!
    om in stijl te blijven

  3. Vandaag alle delen in een keer gelezen. Wilde steeds doorlezen. Dus lekker spannend. Smaakt naar meer. Louise

  4. Ik heb zojuist de vijf laatste delen uitgelezen Christien en ik vind het fijn dat het een happy end is geworden. Mooi en knap geschreven, spannend en fijn om te lezen. Dank je wel!

    Jannie.

  5. Volgens mij heb ik net zo veel plezier beleefd aan het schrijven, als de lezers aan het lezen. En dat laatste… doet me goed. En bedankt ook, Hilde. Een boek is toch iets heel anders dan een kort verhaal, per slot van rekening. Succes kan ik dus heel goed gebruiken. 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *