Nooit meer naar Parijs

Parijs

Voor een boswandeling wil ik ze nog wel eens aantrekken, maar aan de vooravond van onze citytrip besluit ik ze thuis te laten. Stel dat ik iemand tegen het lijf loop op wie ik een verpletterende indruk wil maken? Dat gaat me met deze beslist niet charmante wandelschoenen niet lukken.

‘Nee hoor,’ zegt mijn dochter een dag later gedecideerd, ‘ik heb absoluut geen zin om de metro te pakken, dan zien we niks van de stad. En kijk, het is maar een klein stukje lopen naar Montmartre.’ Ik volg haar vinger op de verkreukelde – want al veelvuldig eerder gebruikte – stadsplattegrond. ‘Dat is veel verder dan je denkt,’ probeer ik nog, maar zij heeft de pas er al in. ‘Kom op, mam! Lekker lopen,’ roept ze over haar schouder. Ik kijk naar mijn gelaarsde voeten. De linker lijkt wel zin te hebben in een flinke wandeling. De rechter heeft net ruim 500 kilometer gas gegeven en is beduidend minder enthousiast. Een beetje mokkend laat hij zich in beweging brengen. Bij een patisserie kopen we een half uur later allebei een eclair. Die van mij doet me heel even de onder mijn voeten ontstaande brand vergeten. Smullend overbruggen we de laatste honderden meters naar de trappen die naar de Sacré Cœur leiden.

Exact eenendertig jaar na de allereerste keer dat ik hier was, zet ik mijn rechtervoet op de eerste trede. Net als toen beklaag ik me niet alleen over het enorme aantal treden, ik ben weer net zo onder de indruk van het uitzicht over Parijs vanaf het plein voor de basiliek als in 1982. Dochterlief maakt een foto van me. Ik straal, ondanks mijn brandende voeten. We dwalen tot laat in de avond door Montmartre, zitten met grote regelmaat op een terrasje en lopen na het diner terug naar het station vanwaar de trein naar Rosny-sous-Bois vertrekt. Eenmaal aan boord van de trein voel ik pas goed hoe pijnlijk mijn voeten zijn en begin ik op te zien tegen het feit dat we straks nog een dik kwartier naar het hotel moeten hobbelen –  de kwalificatie ‘lopen’ is inmiddels niet meer op mij van toepassing.

Zodra ik op de tweede dag van onze citytrip mijn ogen opendoe, zijn mijn voeten het eerste waar ik aan denk. Verheugd merk ik dat ik er geen last van heb, dus gooi ik ze uit bed en ga ik er op staan. Fout! Na vijf minuten lijkt de pijn wat af te nemen en wurm ik mijn voeten in verse sokken en vervolgens in mijn laarzen. De eerste paar uur kan ik nog doen alsof er niets aan de hand is, maar dan beginnen de twee enorme blaren (onder elke hiel een) me tot waanzin te drijven. Ik ontwikkel een soort ballerinaloopje, waarbij ik me balancerend op mijn tenen voortbeweeg. Dat is redelijk te doen, totdat ik voel dat er zich ook onder mijn tenen blaren aan het ontwikkelen zijn. De pijn verbijtend balanceer ik langs het Louvre, door eindeloze metrogangen, van de Notre Dame naar het Centre Pompidou en als we aan het eind van de dag weer in de trein naar Rosny zitten, kijken we elkaar aan. ‘Morgen maar na het ontbijt naar huis?’ vraag ik mijn dochter. Hoewel haar voeten er iets minder erg aan toe zijn dan die van mij, knikt ze vol overtuiging. ‘Ik zie het niet zitten om morgen eerst nog weer een tijd door de stad te dwalen. Het is goed geweest, de rest van Parijs bewaren we gewoon voor een volgende keer,’ zegt ze.

Mijn voeten zijn na de lange autorit dik – en dat is zwak uitgedrukt. Ik laat me uit de auto vallen en strompel naar de achterdeur. Zodra ik die opengedaan heb, zie ik ze staan. Naast de mat. Mijn super-de-luxe wandelschoenen. Ze lijken me uit te lachen. ‘Ja, ja, ja,’ mopper ik, ‘ik ga nooit meer naar Parijs zonder jullie!’

0 gedachten over “Nooit meer naar Parijs”

  1. Ach Parijs, wat een stad. Heerlijk. Ik ga tegenwoordig NOOIT meer zonder wandelschoenen naar een vakantiebestemming. Het is altijd slenteren geblazen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *