Ik kan je wel zoenen!

Kiss me’, klinkt op de radio en ik zing zachtjes mee. Dan gaat er een lampje op mijn dashboard branden en kort daarna komt er iets wat lijkt op rook onder de motorkap vandaan. Ik stuur onmiddellijk via de vluchtstrook naar de berm, grijp mijn telefoon, verlaat mijn auto en zie dan pas dat de accu van mijn mobiel zo goed als leeg is. Snel kies ik het nummer van de pechhulpverlener waar ik al jaren een abonnement heb. ‘Blijft u aan de lijn; er zijn wachtenden voor u,’ hoor ik. ‘Nee,’ schreeuw ik, ‘ik kan me geen wachten permitteren!’ Koortsachtig zoek ik naar het nummer van de Wegenwacht. Daar wordt wel onmiddellijk opgenomen. Zo kalm mogelijk meld ik dat (en waar) ik met mijn kapotte auto langs de A73 sta en voeg eraan toe dat mijn telefoon het elk moment kan begeven. ‘Wat is uw lidmaatschapsnummer?’ wil de vriendelijke telefonist weten. ‘Ik ben geen lid,’ leg ik uit. ‘Dan gaan we u eerst heel snel lid maken.’ Voordat ik kan reageren, valt de verbinding weg. Ik sta teleurgesteld naar mijn telefoon te kijken. Wat nu?

Niet alleen het scherm van mijn telefoon is donker. De enige verlichting in de buurt komt van de koplampen van de auto’s die mij op de snelweg passeren. Koud is het ook. Gelukkig heb ik een heel brede berm tot mijn beschikking, zodat ik ijsbeerruimte genoeg heb. Dat heen en weer lopen door het hoge gras houdt me enigszins warm, maar begint me al na een kwartier te vervelen. Aarzelend probeer ik mijn telefoon weer aan te zetten en tot mijn stomme verbazing lukt dat. Snel bel ik mijn dochter om te vertellen wat er aan de hand is. ‘Maar ik sta hier veilig en hulp is onderweg,’ kan ik nog net geruststellend zeggen voordat de telefoon weer spontaan uitgaat. Ik moet ervan zuchten en loop maar weer wat doelloos heen en weer. Dan moet ik ongelofelijk nodig plassen. Ik kijk om me heen. Behalve de automobilisten die me passeren, is er in de wijde omtrek geen levende ziel te bekennen. Na enig aarzelen, laat ik mijn broek zakken en ga ik door mijn knieën.

Er is ruim een uur voorbijgegaan, ik heb het ijskoud, ben moe en begin een beetje wanhopig te worden. Waar blijft die Wegenwacht? Ik heb mijn telefoon daarstraks tegen beter weten in aan de oplader in de auto gelegd. Nu ik ga kijken, blijkt de telefoon toch ‘opgeladen’. Ik heb maar zeven procent tot mijn beschikking: misschien net genoeg om nog één keer de ANWB te bellen. ‘De verbinding werd verbroken voordat we al uw gegevens hadden en daarom is uw hulpvraag geannuleerd,’ antwoordt de telefonist op mijn vraag waarom er niemand komt. Het huilen staat me nu nader dan het lachen. En dat blijkt hoorbaar, want hij voegt er snel aan toe dat mijn oproep met voorrang behandeld wordt en dat ik later maar terug moet bellen om mijn lidmaatschap in orde te maken.

Nog geen kwartier later stopt een Wegenwachtauto achter mijn gestrande voertuig. Een vriendelijke man stapt uit en komt naar me toe. ‘Ik kan je wel zoenen,’ zeg ik opgelucht lachend, waarna ik er snel aan toevoeg dat ik dat niet ga doen. Dan lacht hij ook.

 

Naschrift

Langs deze weg wil ik de man van de Wegenwacht die mij op 20 november rond half zeven te hulp schoot nogmaals bedanken voor de hulp, het geduld, de koffie, het gebruik van de oplader en het bedenken van een voor mij perfecte oplossing die ervoor zorgde dat ik toch met eigen vervoer (zij het dan niet met mijn eigen Kaatje) thuis kon komen.

8 gedachten over “Ik kan je wel zoenen!”

  1. Haha was ik maar een WW man.
    Leuke story Christien, en vooral goed ook dat jij weer de weg op bent geholpen.
    Leuk schrijfsel.

    Peter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *