Heimwee naar: ‘O ja, joh?’

In Rotterdam volgde ik een opleiding, ik startte er mijn carrière, vond er de man die jaren later mijn ex-echtgenoot zou worden en kreeg er een prachtige dochter. Na mijn scheiding vertrok ik met haar naar Gelderland. De stad heeft een speciaal plekje in mijn hart weten te behouden. Moet ik in de regio Rijnmond zijn, dan rijd ik meestal nog even door de wijk waar ik lang gewoond heb, en als het even kan, over de Maasboulevard om stilletjes te genieten van de indrukwekkende skyline. Soms heb ik heimwee naar Rotterdam. Een beetje. Toch is er ook iets wat ik heel erg mis: de Rotterdamse tongval.

Toen ik nog maar pas in Rotterdam woonde, ging ik naar een voorstelling van Rotterdams ‘nachtburgemeester’ Jules Deelder in het oude Luxor theater. Gebiologeerd door die drukke man heb ik de hele avond aan mijn stoel gekluisterd gezeten. Ik lachte braaf mee, zodra er een gebulder uit de zaal opsteeg, maar ik begreep geen woord van Deelders verhalen. Het was alsof hij een andere taal sprak. Nadien werd ik dagelijks ondergedompeld in typisch Rotterdamse uitspraken en maakte ik me het Rotterdams als vanzelf eigen.

Sinds onze verhuizing praten mijn dochter en ik zo nu en dan in het Rotterdams met elkaar. Ik moet toegeven dat zij er beter in is dan ik, maar dat terzijde. Op een zondagmiddag vind ik haar bulderend van de lach achter haar laptop. ‘Kijk dan!’ roept ze, wijzend naar cabaretier Ronald Goedemondt, die ze even gepauzeerd heeft, om mij mee te laten genieten. Ze spoelt het fragment een klein stukje terug, waarna ik hem hoor zeggen: ‘Je hoeft maar twee dingen te kunnen zeggen om Rotterdams te kunnen praten. Zooo, en o ja, joh?’ Ik kom niet meer bij van het lachen.

Een paar dagen later – het betreffende videofragment hebben we ondertussen tientallen keren bekeken – zijn we op een verjaardagsfeestje. In Rotterdam. Plotseling hoor ik iemand zeggen: ‘O ja, joh?’ en ik kijk mijn dochter aan. ‘Ronald Goedemondt’ mimet ze vanaf de andere kant van de kamer en ik grinnik zachtjes. Binnen vijf minuten volgt een tweede: ‘O ja, joh?’ en ik bestudeer de neuzen van mijn schoenen, bang om keihard te gaan lachen om iets waar vast niemand de humor van kan inzien, behalve mijn dochter en ik. ‘Zooooo,’ reageert iemand anders in de kamer en je kunt me wegbrengen. Voor de zekerheid ga ik naar de wc, omdat ik mijn lachtranen de vrije loop móét laten. Zodra ik mijn dochter passeer, wend ik mijn hoofd af, bang om alsnog voortijdig te gaan gieren.

‘Nou, Ronald had het bij het rechte eind, hè?’ grinnikt ze, zodra we in de auto zitten. ‘O ja, joh?’ zeg ik en dan huilen we allebei. Van het lachen. En mijn heimwee naar het Rotterdams? Dat is voorlopig weer even gestild.

4 gedachten over “Heimwee naar: ‘O ja, joh?’”

  1. Rotterdam…het blijft mijn stad. Iedereen hoort dat ik er vandaan kom maar laat ik nou net niet de genoemde twee teksten roepen. Geen idee waarom.
    Vermakelijk blog!
    Lieve groet

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *